Werk aan de winkel: ‘politieke sensitiviteit’

Ambtenaren gaan vaker op cursus om politieke gevoeligheden rond ‘hun’ bestuurders te leren aanvoelen. Maar hoever moet de sensitiviteit gaan?

Een ‘bananenschil’ heet in ambtenarenjargon een incident dat, hoe klein ook, een minister nog eens de kop kan kosten. Die bananenschil wordt tijdig opgeruimd, is de ongeschreven regel. Maar het komt voor dat ambtenaren de bananenschil niet opmerken.

Dat laatste was het geval in de ‘bonnetjesaffaire’, concludeerde de commissie onder leiding van onderzoeker Marten Oosting deze week. In 2000 sloot toenmalig officier van justitie Fred Teeven een geheime deal met een drugscrimineel, Cees H. Vijftien jaar later glijden er een minister en een staatssecretaris over uit. Vier keer kwam de zaak rond H., die van Teeven 4,7 miljoen gulden terugkreeg, door media-aandacht op de politieke agenda terecht. Telkens lukte het de ambtenaren niet het juiste bonnetje te vinden.

In haar rapport riep de commissie alle lagen van de organisatie op tot „tijdig onderkennen van de signaalwaarde van een bericht in de media” dat aanleiding kan geven tot „bijzondere politieke aandacht”. Verbeter de onderlinge informatievoorziening, doe tijdig een feitenonderzoek en creëer een „rustmoment” zodat de „gedragslijn” helder is en daarmee de communicatie naar buiten. De commissie pleit in het hele departement voor meer „politieke sensitiviteit”.

„Werk aan de winkel”, twitterde een oud-collega van Geert Neelen meteen. Neelen is directeur van opleidingsbureau Publiek Domein en geeft onder meer de training PGB: Politiek Bestuurlijke Gevoeligheid. Toen Neelen begon was hij een van de eersten. Google nu op ‘PGB’ en je vindt talloze opleidingsbureaus die de cursus aanbieden.

Liggen er nu meer bananenschillen dan vroeger? „In ieder geval denken overheden dat”, zegt Neelen. Vrijwel elke gemeente, provincie en elk ministerie stuurt ambtenaren momenteel naar een cursus PGB. Wat ze er leren? „De spelregels van de politiek, het krachtenveld van belangen”, zegt Neelen. „Ambtenaren zijn vaak inhoudelijk bezig, die kunnen zich soms moeilijk in bestuurders verplaatsen en raken gefrustreerd: waarom gebeurt er niets met mijn advies? Ze vergeten dat een bestuurder moet wheelen en dealen.”

Politieke sensitiviteit, schreef de commissie-Oosting ook, moet „het meest nadrukkelijk aanwezig zijn” bij hen die in direct contact staan met ‘hun’ bewindspersoon. Maar ook „organisatieonderdelen op afstand”, zoals in deze zaak het Openbaar Ministerie (OM), mogen van de commissie best wat politiek gevoeliger reageren.

Is de relatie tussen het OM en de minister echt zo verstoken van onderling gevoel? De kantoortoren van het College van procureurs-generaal, bestuur van het OM, ligt in De Haag op een steenworp afstand van die van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Regelmatig voert het college overleg met de top van het ministerie over waar ze op moet inzetten – drugs, terrorisme – en over hoe om te gaan met politiek gevoelige incidenten.

Vergelijk die situatie eens met de jaren 80, zegt Joep Lindeman, universitair docent strafrecht in Utrecht. Toen gedroeg de staande magistratuur – de officieren van justitie – zich ook echt nog met de onafhankelijkheid van een magistraat. Het Openbaar Ministerie was een platte organisatie, een eilandenrijk vol hoofdofficieren van justitie over wie zelfs hun regionale bazen, de vijf procureurs-generaal van de ressortsparketten, weinig hadden te zeggen. „Verantwoording afleggen”, zegt Lindeman, „was een beetje not done”.

Het keerpunt kwam halverwege de jaren 90. De criminaliteit was toegenomen en het vervolgingsbeleid had gefaald. Het OM kreeg te maken met de IRT-affaire en met een hard rapport van de commissie-Donner: verdachten kwamen door vormfouten vrij, zaken lagen te lang op de plank en de organisatie was niet meer van deze tijd. Het OM werd hiërarchischer en er kwam een landelijk college van procureurs-generaal dat direct contact onderhield met de minister. Sindsdien is de band tussen justitie en minister nauwer dan ooit.

En hij mag dus nog nauwer, vindt de commissie-Oosting. Houd in ieder geval de minister van gevoelig liggende zaken op de hoogte, is het advies. „Deels begrijpelijk”, zegt Lindeman. „Burgers zijn mondiger, de samenleving kritischer en de Tweede Kamer roept ministers vaker ter verantwoording.”

Maar de vraag is volgens hem wel hoe ver die politieke sensitiviteit moet gaan. Moet het OM straks bij elke beslissing nadenken hoe de minister dit aan de Kamer kan uitleggen? Dat druist in tegen het democratisch idee van de scheiding der machten: de uitvoerende (politieke) macht dient geen invloed uit te oefenen op hoe de rechterlijke macht besluit. Dan zou de beslissing om iemand wel of niet te vervolgen kunnen afhangen van de positie die een minister op een bepaald moment in een bepaald politiek landschap heeft. „Dat wringt.”