Van dominomus tot penisteek

De nieuwe directeur van het Rotterdamse natuurmuseum stelt vreemd gestorven dieren tentoon.

Kees Moeliker, hier met struisvogel: „De necrofiele eend heeft zichzelf, mij en het museum behoorlijk op de kaart gezet.” Foto Robin Utrecht

Kees Moeliker moet nog wennen aan zijn nieuwe kamer. Vorige week verhuisde hij van het chaotische kantoor van een museumconservator naar de opgeruimde kamer van een directeur. Dat moest: Moeliker is op 1 december Jelle Reumer opgevolgd als directeur van het Natuurhistorisch Museum in Rotterdam.

De kersverse directeur ploft languit op de bank, zijn voeten bungelen over de rand. „Te klein, deze moet eruit”, grapt hij. „Hier kan ik geen dutje op doen.”

Moeliker (1960) voelt zich thuis in zijn museum. Hij werkt er al 26 jaar als conservator. Maar zijn band met het museum gaat verder terug: als dertienjarig jochie bracht hij een nijlgans naar het museum, dat toen nog in Diergaarde Blijdorp gevestigd was. Moeliker had het dier dood gevonden bij de Bergse Plas.

Die opgezette nijlgans is er nog steeds. In de kelder van het museum, waar de naftaleenlucht van mottenballen je neus binnenslaat, staat hij in de kast. „Een bijzonder stuk”, zegt Moeliker guitig. „Dit was de eerste nijlgans van Rotterdam.”

Dieren met een bijzonder verhaal, daarvoor heeft Moeliker een zwak. Hij nam de Dominomus op in zijn collectie: het musje dat werd afgeschoten omdat ze de recordpoging van Domino Day 2005 dreigde te verstoren. Na de mus kwamen onder meer de Traumameeuw (vloog zich dood tegen een traumahelikopter) en het McFlurry-egeltje (verdronk in een ijsbeker). Op de gevel onder het oude kantoor van Moeliker prijkt een plaquette voor de eend waar het in 1995 allemaal mee begon: de woerd die tegen het raam vloog, stierf en prompt door een mannelijke soortgenoot werd verkracht.

Dacht u meteen: hier kan ik mee scoren?

„Het hele voorval was een incident, een vergissing. Die eend lag toevallig in de paarhouding en de andere woerd greep zijn kans. Als je als bioloog zoiets ziet, documenteer je dat. Ik heb geen moment gedacht dat het groot kon worden.

„Die eend heeft zichzelf, mij en het museum uiteindelijk behoorlijk op de kaart gezet. Een eye-opener, dat ik bijzonder diergedrag zo kan uitbuiten, in publicitaire zin. Het zette mensen enorm aan het denken over diversiteit, over seksueel gedrag, over voortplanting, over de invloed van de gebouwde omgeving op de natuur.”

Staan mensen open voor die serieuzere kant, of moeten ze gniffelen?

„Ik denk echt dat je op deze manier een ander publiek bereikt. De natuurliefhebbers die elk weekend met een camera om hun nek de natuur ingaan hoef je niet meer te vertellen dat het belangrijk is om onze planeet niet te ontbossen. Maar door bijvoorbeeld te laten zien dat schaamluizen uitsterven doordat mensen hun schaamhaar steeds vaker wegscheren, komt diezelfde boodschap aan bij een nieuw publiek.”

Hoe komt u aan al die vreemd gestorven dieren?

„Inmiddels heb ik een reputatie en brengen mensen ze naar me toe. De egel die in een McFlurry-beker verdronk, is er zo eentje. Ontzettend dramatisch natuurlijk: doodgaan met zo’n suf ijsbekertje op je kop. Dat egeltje is nu onderdeel van onze vaste tentoonstelling. Kinderen en ouders leggen de link zelf: je moet je rommel niet op straat laten liggen. Dat is toch perfect?”

McFlurry-egel. Dominomus. Hoe belangrijk is een goede naam voor een beest?

„Nu je het zegt. Misschien is dat een gewiekste marketingtechniek.”

Dieren die slachtoffer worden van mens of stad, zijn dat de interessantste dieren?

„Het hoeft niet altijd te botsen tussen mens en dier. We hebben in het museum ook een installatie van een zwaan die een nest heeft gemaakt van drijfvuil, blikjes en plastic. Dat is ook stadsnatuur. In de polder zouden zwanen een nest maken van waterplanten en modder, in de stad gebruiken ze een pallet en drijfvuil. Er komen gewoon eieren uit. Mensen die naar het nest kijken, zeggen soms ‘wat zielig’. Maar dat is niet zielig: het is een aanpassing aan de stad.”

Zouden we stadsnatuur beter moeten beschermen?

„Je moet het niet overdrijven. De stad is het leefgebied van de mens. De natuur trekt erin, maar wij zijn de baas. Dat betekent ook dat je niet moet zeuren als er ergens een boompje wordt omgezaagd. Maar je moet er wel over nadenken: ecologisch beheer is goed voor mens én dier.

„De stad is hard, maar de natuur zelf is ook verschrikkelijk. Mijn twee jongste kinderen, ze zijn vier en zeven, smullen nu van de documentaireserie The Hunt. Ook als een zebra uit elkaar getrokken wordt door een leeuw. Daar hebben ze vrede mee: een leeuw moet ook eten.”

Dieren veroveren zelf wel een plekje in de stad?

„Ja, en dat vind ik knap. Neem de slechtvalken hier in Rotterdam. De flatgebouwen zijn hun kliffen, de volgevreten stadsduiven hun prooi. Waarom zou je ook in Schotland op een rots gaan zitten om af en toe een alk te vangen, als je in de stad alles op een presenteerblaadje krijgt? Hier is het warm, beschut. ” Moeliker loopt naar het raam en tuurt even door zijn verrekijker. „Met een beetje geluk kunnen we ze zien zitten. Ze zitten meestal op het logo van het Erasmus, op de E.” Ze zitten er niet, op het Erasmus Medisch Centrum.

Dieren met een verhaal. Is dat de niche van het Natuurhistorisch Museum?

„Ja. Wij hebben hier een collectie van 400.000 objecten. Dat lijkt veel, maar in museumland is dat een middelgrote collectie. Naturalis heeft vele miljoenen objecten. Maar wat weten we nu echt van al die dieren, planten en fossielen? Vaak is dat alleen maar naam, vindplaats, vinddatum en vinder.”

Moeliker haalt een buisje met een teek op sterk water tevoorschijn. „Stel je wil een teek laten zien. Dan is het leuker als je weet dat de voormalige directeur van dit museum deze teek verzamelde op zijn geslachtsorgaan, na een wandeling in Frankrijk.

„Jelle Reumer was dit exemplaar eigenlijk weer vergeten, ik heb het in de collectie opgezocht voor zijn afscheid. De teek past goed in het rijtje dieren met een verhaal. Het laat zien wat ons bezielt, die verzamelgekte die wij delen.”

Naturalis graaft een dino op. Het Natuurhistorisch Museum in Rotterdam komt met een teek?

„De schaal waarop wij opereren is natuurlijk niet te vergelijken. Naturalis is het nationale natuurmuseum. Wij gaan niet graven in de VS, wij zoeken het dichter bij huis.”

„Neem de huiskraai uit Azië die neerstreek in Hoek van Holland. Er werd besloten dat die kraaien afgeschoten moeten worden. Daar ben ik toen bovenop gesprongen: die kraaien wilde ik hebben, voor onze collectie en voor onderzoek. Dat is Rotterdams territorium en het past bij het verhaal dat wij willen vertellen.”

Wat zijn uw plannen?

„Het Natuurhistorisch Museum is geworteld in de stad en we trekken steeds meer bezoek. Het is aan mij om die lijn voort te zetten. En om het publiek sterker te betrekken bij het in kaart brengen van de Rotterdamse stadsnatuur. Binnenkort gaan we een oud kantoor verbouwen tot tentoonstellingsruimte. Het wordt een plek waar we wisseltentoonstellingen gaan organiseren, om te beginnen samen met Natuurmonumenten. Ik mag het nu wel verklappen: we gaan hem de Jelle Reumer-zaal noemen.”