Rechter steunt vroeg ingrijpen bij ronselen voor de jihad

Zes Haagse moslims zijn gisteren door de rechter veroordeeld tot straffen tot zes jaar voor ronselen van Syriëstrijders. De rechter gaf aan dat het vonnis niet kan worden gezien als inperking van vrijheid van meningsuiting.

De belangrijkste jihadistische kern in Nederland is veroordeeld. Zes Haagse moslims die via sociale media jihadpropaganda verspreidden, zijn gisteren door de rechtbank bestempeld als een terroristische organisatie. De rechtbank sprak straffen uit tot zes jaar cel voor de mannen die als gezamenlijk doel hadden jongeren op te ruien en te werven voor de gewapende strijd in Syrië. Het is de eerste keer sinds de oorlog in Syrië dat zulke zware straffen zijn opgelegd aan ronselaars.

De zware straffen waren onverwacht. Het Openbaar Ministerie (OM) leek aanvankelijk op een nederlaag af te stevenen. Tijdens de zitting bleek het lastig om overtuigend aan te tonen dat de extreme moslims samen één organisatie hadden gevormd met een eenduidig doel. Het OM en de verdediging bestreden elkaar vooral over de vraag: waar ligt de grens van vrijheid van meningsuiting wanneer gaat die over in strafbaar gedrag?

Het OM wil graag al in de ronselfase kunnen ingrijpen om zo te voorkomen dat mensen uitreizen naar Syrië. En vooral: dat ze terugkeren uit Syrië om een aanslag te plegen in Europa. Deze uitspraak geeft het OM hier nu de mogelijkheid voor.

Aanvankelijk zag het er somber uit voor het OM. Verdachten werden voorwaardelijk vrijgelaten in afwachting van het vonnis. Een cruciale getuige trok zijn verklaring in. En dan was er ook nog een politieagent die op Facebook bij de jihadisten infiltreerde zonder hier toestemming voor te vragen aan de officier van justitie. „Onherstelbaar vormverzuim”, oordeelde de rechter, maar het bewijsmateriaal bleef toch bruikbaar omdat de officier wel toestemming zou hebben verleend als de politie hierom had gevraagd.

De organisatie vulde websites, Twitteraccounts en Facebookpagina’s met „constante stroom aan opruiende berichten”. De rechter constateerde dat de groep een klimaat heeft geschapen waarin het reizen naar Syrië werd gezien als een verplichting voor iedere moslim. In dat klimaat konden „kwetsbare, beïnvloedbare, psychisch minder weerbare jongeren” worden overgehaald te vertrekken. Vooral uit de Haagse Schilderswijk zijn tientallen jongeren vertrokken.

De verdediging presenteerde het proces vooral als een rechtszaak tegen de vrijheid van meningsuiting. Waarom zouden deze moslims niet mogen zeggen dat zij in de Syriëoorlog partij kiezen voor de Islamitische Staat (IS)? Waarom zouden zij de strijd tegen het abjecte Syrische regime niet goed mogen vinden en hierover twitteren? De rechtbank deed er alles aan om te voorkomen dat de uitspraak kan worden uitgelegd als een inperking van de vrijheid van meningsuiting. In Nederland mag je openlijk sympathie tonen voor een terroristische organisatie als IS, zei de rechter. Wat níet mag, is anderen opruien om je aan te sluiten bij zo’n organisatie.

En dat heeft deze groep volgens de rechter wel gedaan. Meestal ging dat impliciet. Door bijvoorbeeld een lezing te verspreiden waarin de jihad wordt aangeprezen, of op Facebook tips te geven hoe jihadstrijders moeten handelen wanneer de politie hen op weg naar Syrië oppakt. Volgens de Haagse groep waren die uitingen niet zo serieus bedoeld, maar de rechtbank heeft zelf ingevuld welk effect de daders hiermee beoogden: het rijp maken van de geesten voor de jihad.

Quirine Eijkman, rechtssocioloog bij het Centre for Terrorism and Counterterrorism, is verbaasd over de hoogte van de straffen. „Deze mensen zijn zelf niet in Syrië geweest, maar hebben vanachter hun computer een filmpje gedeeld of een tweet gestuurd. Voor opruiing vind ik het hele zware straffen.” De organisatie werd behalve voor opruiing ook veroordeeld voor het rekruteren en financieren van terrorisme. Voor die twee feiten is volgens Eijkman nauwelijks bewijs. „Er is één getuige die over rekrutering verklaart, maar die heeft zijn getuigenis ingetrokken. En voor het financieren van terrorisme is nog minder bewijs. Ik ben benieuwd wat er van deze uitspraak overblijft in hoger beroep.”