Ongemakkelijk

Daar sta ik nou met al mijn pannen. Midden in de keuken van Kamal, de chef-kok die eigenlijk advocaat is. Kamal is een stevige kerel met doorzichtige plastic handschoentjes. We glimlachen maar wat, Kamal en ik, als twee mensen uit verschillende werelden, hij uit het onveilige Damascus, ik uit veilig Amsterdam. Hij had pannen nodig en die kom ik brengen. Simpel.

Maar het is helemaal niet simpel, integendeel, want wat zal ik nou eens zeggen? Ik zoek naar woorden en kijk rond. Het is een rare situatie, deze badkamerblauwe keuken waar in het verleden werd gekookt voor gevangenen en nu voor onschuldigen uit Syrië, Irak, Afghanistan, Iran. Onwerkelijk zelfs, als je bedenkt dat ik zojuist ben gearriveerd langs een intercom, een massief, elektronisch hek, een slagboom. Het gevangenisgevoel is nog alom tegenwoordig. Vroeger reed ik vaak langs de Havenstraat met de vraag hoe het hier binnen zou zijn, en nu sta ik er, met mijn pannen. Ik doe iets goeds, oké, maar vergeleken bij wat deze mensen achterlieten is het weinig. Verlegen makend weinig.

Glimlachen dus maar.

Hoe lang Kamal hier is? De vraag had slimmer gekund. Twee maanden, antwoordt hij. Even lang als de oude gevangenis dienst doet als noodopvang voor tweehonderd asielzoekers. Kijken maar weer. In de keuken hakken en snijden en wassen vier andere vluchtelingen komkommers, aubergines, courgettes. Keurig in kokstenues met schorten. Ze zien mij kijken en glimlachen terug. Ik vraag me af welke van de twee partijen zich het meeste opgelaten voelt.

The Syrian Chef, zoals Kamal zich op Facebook noemt, zegt thank you als hij de pannen van me overneemt. Ik kan ze best missen, die pannen, ze stonden al jaren in de schuur. Het emaille is beschadigd. Bij nader inzien een waardeloos gebaar, vind ik — en nu beginnen ook de hulpkoks met zijn allen thank you te zeggen en uitbundig naar me te glimlachen alsof ik Moeder Teresa zelf ben.

Verschillen kunnen ongemakkelijk zijn, ook als je de gelukkigste van de twee bent, of misschien wel juist.

Yes, well”, haper ik verder, in de hoop dat me iets intelligents te binnen schiet, „kun je het nieuws over Syrië hier eigenlijk volgen?” Natuurlijk, sufferd. „De situatie in ons land verslechtert”, antwoordt Kamal. Zijn glimlach bevriest tussen zijn stoppels. Mogelijk zien hij en ik nu dezelfde beelden van ruïnes en stromen vluchtelingen voor ons, wat de toestand niet bepaald vlot trekt.

En dan stel ik de vraag van een zesjarige. Ik weet niet waarom — het overkomt me. Nou ja, of hij ’s nachts dus in een cel slaapt. Een peilloze somberte daalt over de keuken neer. Uiteráárd slapen deze ontheemden die niemand kwaad hebben gedaan in cellen voor gedetineerden. Wat had ik anders gedacht, dit is

De l’Europe niet.

De mannen beginnen maar weer te hakken en te snijden en te glimlachen. Ik beloof snel terug te komen met nog veel meer spullen, en zo vertrek ik met het onbestemde gevoel van een weldoener die iets goed te maken heeft.