Mijnen met megaverlies – en toch blijven ze open

De Chinese steenkoolindustrie verkeert in crisis. Het antwoord van China: 155 steenkolencentrales bouwen. De klimaattop in Parijs is ver weg.

Met verbaasde ogen, die door de mijnwerkers-eyeliner van zwart stof nog groter en witter lijken, reageert kolenhakker Li Ligong (54) op de vraag of hij het nieuws over de klimaattop in het 10.000 kilometer verre Parijs volgt.

„Parijs? Klimaattop? Nog nooit van gehoord, ik kijk bijna nooit naar het nieuws.”

Als zijn vrouw hem in plaatselijk dialect uitlegt waar het om gaat, barst hij los. „Heb ik geen verstand van. Ik weet maar drie dingen: de prijs van steenkool keldert door de slechte economie, wij worden al acht maanden niet betaald en onze bazen zijn corrupt.”

Veel compacter kan de crisis in de Chinese steenkolenindustrie, die hoofdzakelijk het gevolg is van de dalende groei, niet samengevat worden. Die crisis raakt tientallen miljoenen mensen in de drie grote kolenprovincies van China en lijkt tot nu toe niet te worden gebruikt om de energiesector te hervormen, de luchtvervuiling te verminderen en – belangrijk voor ‘Parijs’ – klimaatverandering af te remmen.

Dertig jaar lang al daalt Li Ligong zes dagen per week af in de schachten van de steenkoolmijnen in de provincie Shanxi, het historische, ruige, gruizige hart van de mijnbouw. Kolen delven voor het moederland was tot een jaar of wat geleden glorieus werk. Gevaarlijk, maar tot 2013, 2014 goed betaald. Bijgelovig als mijnwerkers hier zijn, praat hij niet over risico’s en ongelukken.

Wat hem nu dwarszit is dat hij, vlak voor zijn verplichte pensionering op zijn 55ste, wordt behandeld als oud vuil. Zelfs zijn overalls, laarzen en lampen moet hij zelf betalen. De gouden tijden in Shanxi (36 miljoen inwoners) zijn plotseling voorbij. In kolencentra als Lüliang (3,6 miljoen inwoners) en Datong (3,8 miljoen) hangt een crisissfeer nu Datuhe Mijnbouw, één van de grootste particuliere bedrijven in de streek, kapseist. Het is een drama voor winkels, restaurants en vastgoedverkopers dat ruim tienduizend werknemers in de mijnbouw al bijna het hele jaar geen loon hebben gekregen.

Staken, protesteren of advocaten inhuren heeft geen enkele zin en is riskant, want dan sta je onmiddellijk op straat. Vandaar dat Li Ligong thuis ontvangt en niet in een van de eethuizen bij de mijn. Van de ‘vakbond’ horen ze niets, want de bond is een partijafdeling en de partij doet niets, verlamd als die is door de anti-corruptiecampagne. Tientallen regionale partijleiders zijn geschorst of opgepakt wegens „schending van de partijdiscipline”, omdat zij steekpenningen van mijnen aannamen in ruil voor vergunningen. Zij wachten in de gevangenis op processen.

‘Productie is juist opgevoerd’

„Het is hier al jaren een enorme chaos”, zucht dochter Li Zhang Zhang, onderwijzeres op de lagere school. Dat is een conclusie die president Xi Jinping en premier Li Keqiang inmiddels ook getrokken hebben, blijkt uit de media. Maar daarmee is de grote vraag nog niet beantwoord of de crisis in de sector, die 51 procent van de wereldproductie levert, wordt gebruikt voor sanering van de overcapaciteit.

Volgens de wetten van de markt zou het particuliere Datuhe, met vijftien grote en middelgrote mijnen, gesloten moeten worden. Het concern lijdt zwaar verlies, heeft een miljardenschuld aan de banken, de eigenaar zit vast en er is geen geld om de lonen en de rekeningen te betalen.

Toch blijft de mijn open en dat heeft alles te maken met de vrees voor sociale onrust en politieke instabiliteit. Een sinds juli gepensioneerde manager van de Datuhe Gao Jiashan-mijn vertelt dat de productie juist is opgevoerd, „om nog een beetje geld te blijven verdienen”.

Een deel van die kolen blijft buiten de boeken en de officiële tellingen, en wordt doorverkocht aan staal- en elektriciteitsbedrijven in centraal en westelijk China. Meestal zijn dat noodlijdende staatsbedrijven. „De overheid heeft hier één oog open en één oog dicht”, zegt manager-in-ruste Wang Congying.

De autoriteiten rapporteerden de afgelopen weken trots dat productie en verbruik van steenkool in 2014 daalden van 3,61 miljard ton naar 3,51 miljard ton. Voor dit jaar wordt een verdere daling van 2,9 procent voorspeld.

Hoe betrouwbaar deze cijfers zijn en of er sprake is van een trendbreuk na jarenlange groei, is onduidelijk. Er is alle reden voor argwaan. Begin november werd bekendgemaakt dat China, toch al de grootste uitstoter van broeikasgassen, sinds 2000 17 procent meer steenkool had verbruikt dan officieel was opgegeven.

„Ook wij voeren de productie nog verder op om de dalende prijs enigszins te compenseren”, zegt Lou Yu, manager van de Dianping kolenmijn van staatsbedrijf Huozhou Kolen & Electra en tevens partijsecretaris.

„We moeten als arbeiders elkaar vasthouden en loyaal blijven aan ons bedrijf en we gaan dus gewoon door in deze moeilijke fase.”

Hij zegt daarmee instructies van hogerhand uit te voeren.

23 nieuwe ‘moderne’ mijnen

Hoe dat te rijmen valt met de uitspraken van de hoogste leiders van het land om het kolenverbruik te verminderen, is een vraag die in Shanxi ontweken wordt. Propaganda-afdeling noch de economische planners van de regio mogen praten met de buitenlandse pers over het recente besluit om 23 nieuwe „moderne, veilige en efficiënte mijnen” te openen. Het antwoord laat zich overigens raden: er zit nog 266 miljard ton steenkool onder Lüliang en ‘Parijs’ en ‘Beijing’ zijn ver weg.

Deze typisch Chinese beslissing wordt alleen overtroffen door de goedkeuring van de bouw voor 155 nieuwe kolengestookte elektriciteitscentrales in de komende vijf jaar in centraal en westelijk China. Als alle plannen om wind-, zonne- en kernenergie te winnen zouden worden uitgevoerd, zouden deze 155 centrales (bouwkosten 70 miljard euro) niet nodig zijn. Maar provinciale autoriteiten hebben daar geen boodschap aan, zij willen hun economieën stimuleren en hoeven geen toestemming van ‘Beijing’ als zij maar groei produceren.

Voor de tienduizenden mijnwerkersgezinnen in Lüliang is dat nauwelijks een troost, want in de woorden van mijnwerker Li Ligong „komen de gouden tijden dat de kolen én wij gelukkig waren, niet meer terug”.