Kan totaalkunstenaar Bowie dan alles?

De expositie David Bowie is, met honderden voorwerpen uit zijn persoonlijke archief, ging donderdag in het Groninger Museum open.

Zou David Bowie op zijn vijftiende al geweten hebben dat hij wereldberoemd ging worden? Je zou het haast geloven, als je de tekeningen ziet die hij in 1962 van zichzelf maakte, toen hij nog scholier was. Bowie (1947), destijds nog gewoon David Jones, beeldde zichzelf af als een magere figuur met blote voeten en bretels over een blote bast. Een rockster in wording. Een jaar later liet hij zich portretteren als bandlid van zijn eerste groep The Kon-Rads. Zelfverzekerd blikt hij in de camera, zittend op een drumstel. Zestien is hij pas, maar vast van plan de wereld te veroveren.

Dat we die tekening nu kunnen bewonderen, op de expositie David Bowie is in het Groninger Museum, is te danken aan Bowie zelf. In de afgelopen halve eeuw heeft de Britse popster alles bewaard wat hij heeft gecreëerd: handgeschreven songteksten en originele platenhoesontwerpen, kostuums en storyboards, maar bijvoorbeeld ook de sleutels van zijn appartement in Berlijn, waar hij in 1977 ging wonen om aan zijn cokeverslaving te ontsnappen. The David Bowie Archive telt zo’n 75.000 objecten. „Dat is meer dan de 60.000 stuks tellende collectie van het Groninger Museum”, grapte directeur Andreas Blühm donderdag tijdens de opening.

Victoria Broackes, curator van het Londense V&A Museum en een van de samenstellers van de tentoonstelling, vertelde dat ze direct het gevoel had „een pot met goud” te hebben gevonden, toen ze de omvang zag van Bowies archief. „Het is obsessief en ongeëvenaard. Wie bewaart nu alle tekeningen uit zijn kindertijd? Ook op jonge leeftijd zag Bowie zichzelf al als een fantasiefiguur, een personage. Deze tentoonstelling gaat over alle rollen die hij heeft gespeeld. De echte Bowie krijgen we niet te zien, dat is David Jones.”

In het postmoderne Mendini-gebouw van het Groninger Museum, voorlopig de laatste halte van de wereldtournee, is de tentoonstelling nog beter op zijn plek dan in het statige V&A. De opzet is iets ruimer, de inhoud vrijwel hetzelfde. Bezoekers krijgen bij aanvang een koptelefoon op die interactief is, en zo voor een persoonlijke soundtrack bij de beelden zorgt. Flarden muziek en stukjes uit interviews dringen je hoofd binnen terwijl je langs de concertposters, de videoclips, de buitenissige kostuums loopt. Zo komt Bowie heel dichtbij. „Ik snoof alle invloeden op”, hoor je hem zeggen, terwijl je kijkt naar platenhoezen van The Beatles en luistert naar Little Richard. En: „Ik probeerde een eenmansrevolutie te veroorzaken.”

Verrassend zijn de links die gelegd worden met beeldend kunstenaars. Zo liet Bowie zich in 1979 door Sonia Delaunay inspireren voor zijn kostuum voor The Man Who Sold the World (1979). En een zelfportret van de Duitse expressionist Erich Heckel lag ten grondslag aan het artwork voor de elpee Heroes uit 1977. Dat David Bowie zelf ook niet onaardig kan schilderen, is misschien wel de grootste openbaring van deze tentoonstelling. In 1978 maakt hij een schilderij van zijn vriend James Osterberg, alias Iggy Pop, met wie hij dan in Berlijn woont. In een winters Oost-Duitsland kijkt Iggy ons met grote holle ogen aan. Je proeft de invloed van Munch en van de Duitse expressionisten. Bowies handschrift is trefzeker, de kleuren vol lef geschilderd.

Kan hij dan alles? David Bowie is… de ultieme renaissanceman, zo bewijst deze tentoonstelling, die de popster canoniseert als een van de grootste creatieve geesten van onze tijd. Hij is een totaalkunstenaar die 140 miljoen platen verkocht, in 19 films speelde en die op zijn 68ste ook de jongste generatie muzikanten nog weet te inspireren. Op de bomvolle opening, donderdagavond, zongen Jett Rebel en Wende loepzuiver hun favoriete Bowie-songs. Ze waren nog niet eens geboren toen Bowie in 1973 zijn personage Ziggy Stardust op het podium liet sterven. Maar met haar indrukwekkende uitvoering van Rock ‘n’Roll Suicide bracht Wende hem gewoon weer tot leven.