Fransen voeren druk op voor klimaatakkoord

De klimaattop in Parijs gaat naar een climax. Komt er een ambitieus, wereldwijd akkoord of niet?

Een bijeenkomst in het Amerikaanse paviljoen van de klimaattop in Parijs. Foto AP

De Franse minister van Buitenlandse Zaken Laurent Fabius, de voorzitter van de klimaattop in Parijs, heeft donderdagavond met een aangepaste concepttekst de druk om tot een akkoord te komen fors opgevoerd. Volgens hem moet nu „een beslissende stap” worden gezet naar een „wereldwijd, juridisch bindend, ambitieus en blijvend akkoord”. Hij benadrukte dat hij de onderhandelingen over de nieuwe tekst beschouwt als de laatste stap naar overeenstemming.

Fabius gaf de onderhandelaars 2,5 uur de tijd om de tekst te bestuderen. Daarna wordt er weer gesproken, en als het aan de minister ligt uitsluitend nog over compromissen. Onduidelijk is wanneer die gesprekken afgerond worden. Ze werden omschreven als open-ended. Dat kan betekenen dat er in de loop van vandaag een akkoord is. Of dat haalbaar is, durfde donderdagavond nog niemand te voorspellen.

De drie belangrijkste thema’s, waarover nog grote verschillen van mening bestaan, zijn namelijk nog niet opgehelderd. Het zijn de financiering van klimaatbeleid in ontwikkelingslanden, de ambities van het klimaatakkoord voor de lange termijn en de verschillende rollen van arme en rijke landen bij de oplossing van het probleem – en vooral ook de vraag welke landen zich ontwikkelingsland kunnen noemen.

De arme landen hebben weinig vertrouwen in de bereidheid van de geïndustrialiseerde landen om voldoende geld te geven. Eerder is afgesproken dat voor een klimaatfonds vanaf 2020 in principe 100 miljard dollar beschikbaar moet zijn. Dat lijkt haalbaar, ook al vrezen veel arme landen dat het ten koste gaat van algemene ontwikkelingshulp en dat zij dus in feite een sigaar uit eigen doos gepresenteerd krijgen.

De rijke landen willen een substantieel deel van fonds financieren met privaat geld, dat wil zeggen via het bedrijfsleven. De ontwikkelingslanden geloven echter niet dat bedrijven daartoe voldoende bereid zijn. Mogelijk zullen zij zich gesteund voelen doordat vastgelegd wordt welk deel van het geld naar aanpassing aan klimaatverandering gaat. Dat geld is voor ontwikkelingslanden belangrijker dan het geld dat ze krijgen voor de reductie van broeikasgassen.

Een zeer gevoelig thema is wat in het onderhandelingsjargon ‘differentiatie’ heet. Nog steeds worden de partijen verdeeld volgens een lijst van geïndustrialiseerde landen en ontwikkelingslanden. Die lijst ligt echter al decennia vast, en is al lang ingehaald door de werkelijkheid. Het lijkt echter uitgesloten dat men het eens kan worden over nieuwe criteria om te bepalen wie zich een ontwikkelingsland mag noemen.

Ook op het gebied van de ambities voor de lange termijn bestaat verdeeldheid. Vooral de EU, de VS en een kleine groep vooruitstrevende landen (waaronder Zwitserland en Mexico) willen bijvoorbeeld vastleggen wanneer de wereld ‘klimaatneutraal’ zal zijn.

Onduidelijk is ook nog wanneer de huidige doelstellingen, waarmee de in het akkoord vastgelegde opwarmingsgrens zal worden overschreden, moeten worden aangescherpt. Vooral de Europese Unie wil het moment waarop de beloftes worden geëvalueerd vervroegen. Maar of ze daarin hun zin krijgen is de vraag.