Fischer is beter met Beethoven

Vlak voor zijn dood gaf de legendarische klavierleeuw Arthur Rubinstein zijn gouden horloge aan een Griekse jongen en noemde hem de beste pianist die hij ooit had gehoord. Drieëndertig jaar later soleerde deze Dimitris Sgouros in Rotterdam in Brahms’ Eerste pianoconcert en maakte daarbij een minder verpletterende indruk. Bij Brahms vormt de pianist een orkest op zich, zo doorwrocht en veelkantig is de solopartij. Maar Sgouros’ klank deed bleek en hard aan. Vaak ontbrak het aan evenwicht en zong er geen betekenisvolle lijn op uit zijn spel.

Dat gebrek gold ook het Budapest Festival Orchestra, dat nochtans tot de tien beste orkesten ter wereld wordt gerekend. Oprichter en chef-dirigent Iván Fischer omarmde zijn solist na afloop geestdriftig, maar muzikaal wilde hun tandem niet echt overtuigen.

In Beethovens Derde symfonie ‘Eroica’ was alles anders. Fischer is een Beethoven-specialist die wars is van interpretatiespektakel. Hij speelt ‘gewoon’ wat er staat, niet te snel, met maximaal inzicht in de partituur. Geen aanstootgevende, uit zijn voegen barstende Eroica, maar wel een erg goede.

Het tempo van het openingsdeel was bijna bedaagd, maar door Fischers nadruk op scherp afgebakende contouren en accenten klonk het toch ontegenzeggelijk con brio. De gesyncopeerde hamerakkoorden leek hij handmatig uit zijn musici te kneden, ongehaast en op een beschaafde manier volvet.

De Marcia funebre was nadrukkelijk monumentaal. Statig, maar warmbloedig, zonder te zwelgen, spreidde het Budapest Festival Orchestra hier zijn klasse tentoon.