Fijne brievenbundel voor bij de open haard

De net verschenen selectie uit de dertig dozen onweerstaanbare correspondentie van Heere Heeresma is onophoudelijke reclame voor de schrijver zelf, die intimiteit uit de weg ging.

De Nederlandse schrijver Heere Heeresma (1932-2011) had dertig dozen vol correspondentie. Foto Chris van Houts

De laatste brief van Heere Heeresma (1932-2011) moest na zijn dood uit zijn schrijfmachine worden gepeuterd. Het epistel, gericht aan zijn neef Jaap van der Zwan, was niet afgemaakt. Het eindigde met de woorden: ‘Het wordt tijd dat een biograaf zich in mijn leven gaat verdiepen.’

Inderdaad, ben je geneigd te denken na het lezen van de meer dan vierhonderd pagina’s brieven. Bezorger Hein Aalders destilleerde ze uit de meer dan dertig dozen correspondentie die de schrijver van legendarische bestsellers als Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming, Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp en Geef die mok eens door, Jet naliet.

Bleib gesund!, zoals het in de reeks Privé Domein opgenomen boek heet, laat de contouren van zo’n Heeresma-biografie mooi zien. Van de eerste brieven, waarin de twintiger zich inspant om zijn vroegste werk gepubliceerd te krijgen, tot zijn eindeloze uitgeverswisselingen, zijn commerciële succes en de miskenning van het literaire establishment, brieven aan filmmakers Theo van Gogh en Roman Polanski over Een dagje naar het strand en hele reeksen brieven over het jodendom en de Heilige Schrift – tot we aankomen bij de jaren waarin Heeresma steeds minder belangstelling trekt, maar nog wel twee boeken over zijn Amsterdamse jeugd publiceert: Een jongen uit Plan Zuid en Kijk, een drenkeling komt voorbij. Maar dit brievenboek is vooral onophoudelijke reclame voor de schrijver en verteller Heeresma. Die is op zijn best wanneer hij de aangeschrevene een beetje probeert te jennen, zoals in de brief, halverwege 1973, waarin hij zijn uitgever Contact om een, jawel, trofeeënkast vraagt: ‘Ik zag deze kast niet te groot. Zo 1 x 1.20 meter. En met een diepte van zeker 40 cm. omdat er bokalen zijn met zéér wijde bekers […] Het houtwerk van deze kast mag niet van triplex zijn, want dat gaat in de moderne woningen met hun c.v. onherroepelijk werken en kieren, maar van massief, liefst donker hout; enigszins in reliëf (vogels? plantenslingers?) bewerkt.’ Verderop doet hij suggesties voor de inhoud van de kast: ‘het kan een lauwerkrans in siermetaal wezen of een zilverkleurig blad’. Het zijn in hun onbeschaamdheid onweerstaanbare brieven, die wel wat doen denken aan die andere grote brievenschrijver uit de jaren zeventig, Gerard Reve.

Boekenbeschouwers

Veel brieven gaan direct of indirect om geld: Heeresma, oud-reclameman, wilde uit principe geen belasting betalen en dat vergde nogal wat afspraken omtrent, bijvoorbeeld de uitbetaling van zijn honoraria. Onophoudelijk prijst hij zichzelf en de verkopen van zijn eigen werk aan, terwijl hij tussen de bedrijven door geen geheim maakt van zijn weerzin tegen recensenten, die hij boekenschouwers noemt. Ergens zegt hij dat er 1200 artikelen over hem zijn geschreven, waarvan twintig positief, veertig welwillend ‘en de rest afwijzend op een ronduit agressieve manier’. Hoopvol schrijft hij over de ‘overschatte’ A.F.Th. van der Heijden, die ‘werd gemaakt door de boekenschouwers en zal door dezelfde schouwers binnenkort wel weer afgeschoten worden.’

Hoe vrolijk de afzonderlijke brieven van Heeresma ook stemmen, het geheel wekt ook een treurige indruk. Want het overgrote deel van de brieven is weliswaar persoonlijk van toon, maar heeft óók een zakelijke achtergrond: de prominentste correspondenten geen intimi, maar journalisten als Rudie Kagie en Anton de Goede, of Anton Korteweg, oud-directeur van het Letterkundig Museum in Den Haag.

Heeresma schreef geweldige ingezonden brieven en boutades, maar er zijn veel minder bewaard gebleven waaruit vertrouwelijkheid spreekt. Brieven aan zijn moeder zijn vaak afstandelijk, die aan en over zijn broer Marcus openlijk vijandig – vaak met reden. Het verdriet om een andere broer, de in 1969 verongelukte Faber Heeresma, blijft de kop op steken.

Pijnlijk is hoe Heeresma in 1956 over zijn jonge dochter Marijne schrijft ‘het is verrukkelijk om nu naar Marijne te kijken’. Pas een halve eeuw verder in het boek zie je haar terug, als Heeresma enkele brieven met haar wisselt na de dood van haar moeder. Vader en dochter kennen elkaar nauwelijks. Heeresma schrijft haar over rouw: ‘De scherpe kanten slijten maar als de relatie goed was blijft de herinnering in een flits, een vlaag. Ik zou daar graag meer over aan je willen schrijven maar ik ken je geestelijke breeding niet.’ Daar is iets misgegaan en dat vestigt de aandacht op de eenzaamheid die uit Bleib gesund! spreekt. Het is niet alleen een boek van een geweldige schrijver, maar ook van een man die in duizenden brieven probeerde contact te leggen met anderen, maar er maar zelden in lijkt te zijn geslaagd om een natuurlijke vorm van intimiteit te vinden – voer voor een biograaf, inderdaad.