Wasco: ‘Ik streef naar de absolute strip’

Striptekenaars koesteren hem al decennia. Nu is er eindelijk een volwaardige uitgave van de strips van Wasco. ‘Ik heb een groei-en-vindmanier van tekenen. Als Paul Klee. Ik volg de lijntjes. Ga waar zij naartoe gaan.’

Pagina uit 'Het Tuitel Complex' van Wasco.

Mondriaan-doeken waar stripfiguurtjes in opduiken, kaders die worden vervormd en doorbroken, lijnen die eeuwig lijken door te lopen, strips met onnavolgbaar verspringend perspectief, maar ook een koddige Kuifje-parodie. Een vrolijker, origineler en vreemder stripboek dan Het Tuitel Complex van tekenaar Wasco zal je niet snel vinden.

Het heeft lang geduurd voordat er een serieuze en volwaardige stripuitgave van Wasco verscheen. Zijn leven lang gaf de nu 58-jarige tekenaar zijn strips in eigen beheer uit. Voor collega’s gold hij al die jaren als een tekenaarstekenaar. Nu is de koning van de underground bovengronds gekomen en in stripland Nederland mag dat een belevenis worden genoemd.

Wie is Wasco? „Mijn echte naam is Henk van der Spoel. Niemand weet dat meer. Alleen mijn ouders zeggen nog Henk. Mijn vriendin noemt mij Wasco, ik neem de telefoon op met Wasco. Op de academie, dertig jaar geleden, hield ik iedereen streng aan mijn pseudoniem.”

Die academie was de AKI, de kunstacademie in Enschede. „Daar tekende ik autobiografische stripjes, De wondere wereld van Wasco. Dat was een zin die spontaan in me opkwam. Een soort Suske en Wiske-titel, allitererend en doorgaand. Vervolgens heb ik het stripfiguur Wasco gecreëerd. Ik heb overwogen mijn echte naam voor mijn serieuze kunst en Wasco voor het tekenen te gebruiken. Maar eigenlijk zijn mijn strips serieuzer dan mijn kunst. Zo werd ik helemaal Wasco.”

Ook voor wie geen strips leest

Hij mag Joost Swarte en Typex tot zijn grootste fans rekenen, maar Wasco maakt een afwerend gebaar bij de troetelnaam ‘tekenaarstekenaar’. „Ik wil graag dat iedereen mijn werk leest. Zo’n term suggereert dat mijn strips moeilijk zijn. En mijn werk is niet moeilijk. Ja, het is misschien voor fijnproevers, maar het is net zo goed basaal en primitief wat ik doe. Het is ook een strip voor mensen die geen strips lezen. Mensen die mijn boek lezen begrijpen meteen waar ik mee bezig ben.”

Toch lijkt wat Wasco maakt op geen enkele andere strip. Hij maakte korte, beeldende verhaaltjes, visuele metaforen zonder tekst of met nauwelijks woorden, veelal van één strook of één pagina. Door zijn geslepen hergebruik van bestaand materiaal, door kleine veranderingen en vervreemdingen, zet hij betekenissen op de helling en trekt hij de lezer zijn logica in, zijn wondere wereld.

Wasco: „Wat ik doe, is experimenteren met lijnen en met tijd. Strips zijn simpele machines. Het zijn hokjes en ieder volgend hokje is een nieuw tijdsmoment. Dat is de regel. Iedereen weet dat. Maar moet het ook zo? Wie zegt mij dat als ik kijk naar vier plaatjes dat het vierde het laatste moment is?”

Op het omslag van zijn stripboek staat een door Wasco bewerkt doek van Mondriaan. De zwarte lijnen van Mondriaan gebruikt Wasco als stripkader. „Voor Mondriaan zijn dit vlakken, ik zie kaders. Ik haal hem binnenstebuiten.” Bovenin rijdt een autootje, schijnbaar van links naar rechts. Beneden rijdt het weer de andere kant op. De rookwolk achter de auto zorgt voor dynamiek. Die krult op, verdwijnt, of ligt plat.

Mondriaan wilde dat we naar „een absoluut schilderij” keken, zegt Wasco. „Ik plaats er vormpjes in. Er ontstaat een verschuiving. Tijd gaat een rol spelen. Het absolute wordt ontkracht.” Het werk ontstond spelenderwijs, zegt hij. Hij had Mondriaan-boeken en ging daar in tekenen. Lachend: „Handig, want de kaders waren er al.”

Het Tuitel Complex is een selectie uit de boekjes, pagina’s en stroken die Wasco de afgelopen tien jaar maakte. In het hart zit het titelboekje, bestaand uit losse, paginagrote composities, waar zijn figuurtje Tuitel in rondloopt. Tuitel is een simpel geblokt manneke met muts en een rondje met stip als hoofd. „Ik noem hem meneer Tuitel”, corrigeert Wasco. „Omdat mensen soms denken dat het een vrouwtje is. Ik zie hem als een monnik, met touw om zijn pij, die thuis in zijn cel aan zijn bureau zit te tekenen.”

Typerend is een pagina met een Mondriaan-achtig raamwerk, waar een Tuitel in elk van de tien vakken staat. Uit de stift in zijn hand komen grote en minder grote rode druppels. Wasco: „Tuitel is aan het tekenen en zijn druppels vallen in een volgend plaatje. Maar onderop de pagina vallen de druppels omhoog. Het gewicht van die inkt verschilt. Compositorisch trekken de druppels elkaar aan. Er zijn verschillende wetten aan de gang. Het is niet één ding. Het is abstract.”

Streven naar de absolute strip

Dat past bij zijn streven naar „de suprematische of absolute strip”. Maar dat is een ideaal waaraan hij concessies moet doen, zegt Wasco. „Ik wil wel alle figuren weglaten, maar ik wil ook vertellen. Dus ik heb figuren nodig.” Toch probeert hij hetzelfde effect te bereiken dat abstracte kunst heeft: „Een belevenis creëren die niet gerelateerd is aan de werkelijkheid. Een rood vlak van Barnett Newman kan eenzelfde ervaring geven als het uitzicht vanaf een bergtop. Mijn strip lees je ook niet voor het avontuur. Ik wil niet iets afbeelden. Ik beeld strip af. Het absolute zit in de beleving van het moment.”

Verhaal zit er bijvoorbeeld in de pagina Boom. Tuitel loopt met zijn hondje. Niet zomaar: eerst tegen een boom op, dan de boomstam ín, en dan ook ín een boomblad. Wasco: „Surrealistisch? Zeker. Maar het is niet meer dan een metafoor voor een wandeling door het bos.” En Tuitel moest een hond hebben? „Ja, een Bobby. Iedere strip heeft een Bobby nodig.”

Ondanks zijn liefde voor verhalend tekenen, zou hij moeite hebben met een graphic novel: „In je eerste plaatje leg je de stijl voor de rest van het boek vast. Ik heb een groei-en-vindmanier van tekenen. Als Paul Klee. Ik volg de lijntjes. Ga waar zij naartoe gaan.”

En dat komt altijd goed, zegt hij. „Dat is Japanse filosofie: vertrouwen dat je iets kan, weten dat je het zelf bent. Zodra ik een pen op papier zet, word ik Wasco, een tekenaar die iets zoekt. Dat is mijn gave.”

Het Tuitel Complex is ook opgezet als een staalkaart van zijn kunnen. Dus zijn er pagina’s met boekomslagen en een Kuifje-pastiche, met de Kafka-titel Amerika. „Puur amusement”, zegt Wasco. „Daarmee wil ik aangeven: ik heb sentiment, ik hou van het medium, en het mag ook luchtig zijn. Met die gedachte heb ik het boek samengesteld en vormgegeven.”

Waarom heeft het zo lang geduurd voor hij debuteerde? „Ik heb wel eerder geprobeerd een boek te laten uitgeven. Maar ik heb niet die enorme drive. Ik ben geen pusher.” Hij zegt het bijna verontschuldigend en lacht dan weer zijn vrolijke lach.

Nu de eerste er is, denkt hij al aan een nieuw boek. „Deze selectie is niet per se het beste van wat ik heb gemaakt. Het is op kleur gekozen, maar ik heb ook veel in zwart-wit. Een kunstenaar houdt altijd iets moois achter de hand.”