Een marinier werkt soms in stilte

Vandaag wordt in Rotterdam 350 jaar Korps Mariniers gevierd. Uit een jubileumboek blijkt dat de paraatheid van het korps „hoog was in vergelijking met de landmacht”. En ze zijn inzetbaar voor missies buiten het zicht van pottenkijkers.

Foto Erik van ’t Wout / ANP

Admiraal Michiel de Ruyter vond het een goed plan. Raadspensionaris Johan de Witt ook. Het waren niet de minste ingezetenen van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden die de Staten van Holland adviseerden een aparte organisatie op te richten voor ‘zeesoldaten’ – militairen die op zee én land konden vechten. Die waren belangrijk gebleken in de strijd tegen de Spaanse overheerser, een halve eeuw eerder.

Aldus geschiedde.

Op 10 december 1665 besloten de Staten tot oprichting van een Régiment de Marine van negentien compagnieën, samen zo’n 2.000 manschappen. Die dag geldt als oprichtingsdatum voor het Korps Mariniers, tegenwoordig 3.000 man sterk. In Rotterdam wordt vandaag het 350-jarig bestaan gevierd. Onderdeel is de overhandiging van een lijvig jubileumboek aan burgemeester Ahmed Aboutaleb.

Het boek Over Grenzen. Het Korps Mariniers na de Val van de Muur beschrijft de geschiedenis van de mariniers vanaf 1989. Ondanks inkrimpingen, bezuinigingen en dreigende fusies met andere krijgsmachtonderdelen, heeft het korps zich als zelfstandig onderdeel weten te handhaven. Sterker: het krijgt een nieuwe kazerne in Vlissingen, genoemd naar zijn oprichter, admiraal De Ruyter.

Natuurrampen

Volgens de auteurs van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie – onderdeel van de krijgsmacht – is dat mede te danken aan successen van de mariniers bij de uitvoering van gevoelige missies, of het nu in Irak was, in Afghanistan, Bosnië, Cambodja, Mali, Haïti of in eigen land – neem de bestorming van de Haagse woning met leden van de Hofstadgroep.

Daarmee is wel de afstand van het Korps Mariniers gegroeid tot hun oorsprong als zeesoldaten. Alleen de antipiraterijmissies voor de kust van Somalië en de drugsopsporing in het Caraïbisch zeegebied komen daar tegenwoordig nog bij in de buurt. „Ik ben de afgelopen jaren vier keer op uitzending geweest”, zegt een ervaren marinier in het boek. „Geen ervan was amfibisch. Het enige wat ik aan water in Afghanistan gezien heb, was het water uit mijn veldfles.”

De auteurs Arthur ten Cate, Sven Maaskant, Jaus Müller en Quirijn van der Vegt beschrijven die missies niet alleen. Ze laten ook zien waardoor de zeesoldaat ‘zandhaas-plus' werd. Door veranderde oorlogsvoering en de opkomst van extremistische strijdgroepen groeide de behoefte aan kleine, flexibele, intensief getrainde eenheden. Alleen het Korps Mariniers en het Korps Commando Troepen van de landmacht kunnen die leveren.

Natuurrampen hielpen ook een handje. Nadat orkaan Mitch in het najaar van 1998 had huisgehouden in het Caraïbisch gebied, verleenden mariniers vanaf de Antillen bijstand in Honduras. Het gaf hun de kans in vredestijd een humanitair imago op te bouwen. Ze zijn er zuinig op. Omroep Zeeland meldde onlangs nog dat mariniers deze maand met speedmarsen door Zeeland geld gaan ophalen voor het Rode Kruis.

Bij de inzet van het korps spelen de paraatheid en oproepbaarheid van mariniers een grote rol. Ze koketteren er graag mee, en de auteurs van het boek gaan daarin mee. Terugblikkend op het kabinetsbesluit, april 1991, om mee te doen aan militaire operaties ter bescherming van de Koerden in Noord-Irak, schrijven ze bijvoorbeeld: „De paraatheid van de mariniers was hoog in vergelijking met de landmacht.” En „bij die collega’s kwam pas een omvangrijk bel- en regelcircuit op gang toen de mariniers al waren vertrokken”.

Gevoelige activiteiten

Impliciet behandelt het jubileumboek nog een ander, belangrijk voordeel van de inzet van mariniers. Met relatief geringe aantallen opereren ze in ver verwijderde, moeilijk toegankelijke gebieden, buiten het zicht van pottenkijkers. Dat is handig bij gevoelige activiteiten.

Zo bleken Nederlandse mariniers al in 2008 „een contraterreureenheid van de Malinese krijgsmacht” te hebben getraind. Dat was vijf jaar voordat het Nederlandse kabinet officieel besloot het West-Afrikaanse land in het kader van een VN-missie bij te staan.

Vlekkeloos verloopt die missie niet, blijkt uit het boek. Vorig jaar werden mariniers daar enkele keren beschoten door de Malinese krijgsmacht, waarmee ze juist geacht werden samen te werken. Vermoedelijk wilden de Malinezen illegale (handels)praktijken van het leger afschermen.

Vanaf 2012 trainen mariniers ook elk jaar twee maanden eenheden van de legers van Senegal en Burkina Faso, buurlanden van Mali. Opnieuw gaat het om terreurbestrijding. Over dit werk is weinig bekend.

Formeel is de Tweede Kamer op de hoogte van deze trainingen in Senegal en Burkina Faso. In 2011 noemde minister Hans Hillen (Defensie, CDA) „de unieke mogelijkheid” voor Nederlanders te trainen onder „klimatologisch en geografisch uitdagende omstandigheden” hoofddoel. De trainingen maken evenwel structureel deel uit van Enduring Freedom, de wereldwijde strijd van de Verenigde Staten tegen het terrorisme, en de Nederlandse militairen brengen contraterreurtechnieken over. De SP heeft inmiddels laten weten dat Defensie de Tweede Kamer hierover beter moet informeren.

De vraag is of de mariniers als instructeur net zo succesvol zijn als de militairen die piraten verjagen, oorlogsmisdadigers op de Balkan oppakken of leden van de Hofstadgroep arresteren. Dat is relevant omdat Nederlandse militairen niet alleen in Afrika, maar ook in het Midden-Oosten actief zijn als instructeurs. In Irak worden special forces getraind in de strijd tegen Islamitische Staat. Over de effectiviteit van de trainingen is niet veel gepubliceerd.

De verslagen uit 2012 en 2013 van contraterrorismetrainingen in West-Afrika, die het ministerie van Defensie na vragen van deze krant gisteren online heeft gezet, stemmen enigszins somber. De helft van de cursisten uit Burkina Faso is analfabeet. Schriftelijke instructie is daardoor onmogelijk. Het lestempo is vaak laag. Een verslag uit 2013 vermeldt: „Door onder andere concentratiegebrek en snelle geestelijke vermoeidheid van deelnemers vervagen de basisvaardigheden snel.”