De rugzak

Mijn Rotterdamse assertiviteit heb ik altijd tot een van mijn beste karaktereigenschappen gerekend. Hart op de tong, niet over je heen laten lopen, ik was er trots op. Ik kom namelijk niet alleen voor mijzelf of mijn gezinsleden op, maar spring ook in de bres voor wildvreemden. Meng me in straatgevechten, verleen eerste hulp bij verkeersongelukken en spreek stadsgenoten aan op asociaal gedrag. Zo heb ik onlangs een hele stoere gozer uit zijn auto gedirigeerd op de parkeerplaats van McDonalds toen ik hem het afval van zijn hamburgermenu uit zijn autoraampje zag flikkeren. Of hij de moeite wilde nemen om zijn troep drie meter verderop in de afvalbak te deponeren. En dat deed hij, zonder morren.

Die assertiviteit heb ik van mijn moeder, die ik ooit een hele grote vent een schop onder zijn kont heb zien geven toen hij op straat zijn eigen hondje afranselde. Op het moment zelf schaamde ik me dood natuurlijk, maar ik vond het een moedige en heldhaftige eigenschap.

Maar sinds Pim Fortuyn ons heeft aangemoedigd nog vaker te zeggen wat we denken, ben ik gaan twijfelen aan die eigenschap. Er komt namelijk ook een hoop ellende van, zeker nu ik begin in te zien dat het weinig te maken heeft met heldhaftigheid, maar meer met impulsiviteit en zelfs agressiviteit. En ordinair is het ook. Tegenwoordig probeer ik daarom, ook op verzoek van mijn echtgenoot en kinderen, situaties beter in te schatten voordat ik reageer of ingrijp. En precies dat was mijn redding in die bomvolle trein vorige week.

Terwijl het gangpad vol reizigers stond, hield een man met een Noord-Afrikaans uiterlijk de stoel naast hem bezet met een grote bruin/zwarte rugzak. Nu zult u denken dat ik wellicht vreesde voor een bom in die rugzak, maar dat was helemaal niet wat ik dacht. Ik wond me op over zijn asociale gedrag en stond op het punt de man te vragen zijn rugzak weg te zetten en plaats te maken. Mijn meereizende echtgenoot zag mijn blik en vroeg sissend me in te houden. Dat deed ik, al viel het niet mee, maar ik bleef de man bozig aanstaren. En toen zag ik de rugzak bewegen. Het bovenste gedeelte draaide als de kop van een uil een kwartslag naar rechts. Ik zag ogen. Prachtige ogen van een jonge vrouw in een bruin/zwarte niqab die haar hele lichaam bedekte, behalve dus die ogen. Ze begon vrolijk te kletsen met de man naast haar en pakte zijn telefoon om er een spelletje op te spelen. Ik draaide schaamtevol mijn hoofd weg, ontweek de blik van mijn echtgenoot en staarde lange tijd naar buiten, waar een vredig polderlandschap aan ons voorbij trok.