Als de liefde dood is, eindigt het leven

Het verleden wordt prachtig tot leven geroepen in De ochtendgave. Maar de tragiek spreekt pas als je het leven van de schrijver erbij betrekt.

Dat A.F.Th. van der Heijden nog eens een historische roman zou schrijven, lag misschien voor de hand. Zijn cyclus De tandeloze tijd heeft wel iets van een eigentijdse geschiedschrijving. Dus waarom niet de sprong gewaagd in het verre verleden? Een opdracht van de gemeente Nijmegen stond aan de wieg van De ochtendgave, dat nu is verschenen na de nodige vertraging te hebben opgelopen door ‘persoonlijke omstandigheden van de auteur’, zoals het heet in de ‘Verantwoording’.

In diezelfde ‘Verantwoording’ bedankt Van der Heijden enkele historici die hem hebben geholpen, met hun boeken of door hem te woord te staan. Inderdaad, de roman bevat diverse herkenbare elementen uit de Nijmeegse geschiedenis van de late zeventiende en vroege achttiende eeuw, zoals de belegering door de Fransen in het rampjaar 1672, de daarop volgende tweejarige bezetting van de stad en de in 1678 gesloten vrede. Ook de zogenaamde ‘Plooierijen’ komen aan bod: de strijd tussen rivaliserende regentenfamilies, die in 1705 leidde tot een dramatische ontknoping toen de ‘Oude Plooi’ een mislukte greep naar de macht deed, waarna haar leider Roukens op last van de ‘Nieuwe Plooi’ werd geëxecuteerd.

Met de onthoofding van Roukens begint de uit vier delen bestaande roman, die in de ik-vorm wordt verteld door Caspar Sonmans, op dat moment Nijmegens gemeentesecretaris. Van Caspar horen we dat zijn leven zevenentwintig jaar eerder is opgehouden. Sindsdien vegeteert hij nog slechts. Zevenentwintig jaar eerder, in 1678, verloor hij namelijk zijn geliefde en echtgenote Sara Stermont, toen zij door een Franse markies werd doodgeschoten. Veel plezier had Caspar al niet van zijn huwelijk gehad: in 1672 deelde hij slechts één – smeuïg beschreven – huwelijksnacht met Sara. Daarna verdween zij. Zelfs haar ‘ochtendgave’ (het traditionele cadeau van de bruidegom aan de bruid) had zij niet opengemaakt.

IJdelheden

Sara heeft haar huwelijksgeluk opgeofferd voor het vaderland, want een paar jaar later blijkt zij als spion actief in het Franse kamp, terwijl Caspar carrière heeft gemaakt doordat hij haar brieven vol Franse geheimen zo goed weet te ontcijferen. Dat krijgen we allemaal te horen in het derde en langste deel van de roman, dat de verwarrende dagen bestrijkt die voorafgaan aan de ondertekening van de Vrede van Nijmegen in de zomer van 1678. Van der Heijden heeft zich uitgeleefd in het beschrijven van de voorbereidingen, met royale aandacht voor de ijdelheden en kleinzieligheden van de Hoge Heren, die het echte werk bij voorkeur laten opknappen door ondergeschikten als Caspar en Sara – zonder zich nog om hen te bekommeren als het lot tegenzit.

En het lot zit tegen, opnieuw. Een tijdlang blijft onzeker of Sarah niet als ‘dubbelspion’ is ontmaskerd en wanneer de beide geliefden elkaar toch weer in de armen vallen, maakt het fatale schot binnen de kortste keren een eind aan het herwonnen huwelijksgeluk. Tot overmaat van ramp wordt Caspar zelf van de moord beschuldigd en slechts door een beschamende interpretatie van de hele affaire (men is hem juist dankbaar omdat hij een ‘landverraadster’ zou hebben gedood) ontloopt hij het lot van de onthoofde Roukens. Daarna kan het vegeteren (’bestaan’, maar niet ‘leven’) beginnen.

Toch is dat nog niet het eind van het verhaal. Er volgt nog een laatste deel, waarin de ‘ochtendgave’ de gedaante aanneemt van Putto, de zoon van Sara en Caspar – en niet van Sara en de moorddadige markies via wiens overspelige bed zij als spion de Franse geheimen te weten was gekomen. In 1705, na de executie van Roukens, onderzoekt deze arts geworden Putto zijn papa en stelt bij toeval het vaderschap vast, voor zover dat tenminste destijds – nog zonder kennis van het DNA – mogelijk was. Aan hem vertelt Caspar het verhaal dat de lezer zojuist achter de kiezen heeft, met als doel de schuilnaam van Putto’s moeder (‘pfv’, post funera virtus, de deugd die over het graf heen reikt) recht te doen. Haar republikeinse deugdzaamheid is het geheim dat vader en zoon met elkaar delen. Naar je mag aannemen: tot troost van beiden.

Schuldgevoel

Wie de reeds genoemde ‘persoonlijke omstandigheden’ kent die de voltooiing van De ochtendgave hebben opgehouden, begrijpt dat Van der Heijden zichzelf met deze ontknoping ook enige troost heeft verschaft, zij het wel ten koste van de moeder van de zoon. Vandaar wellicht dat er zo nadrukkelijk sprake is van schuldgevoel in de roman. Caspar voelt zich schuldig over zijn eigen aan de pest gestorven moeder en ook over zijn Sara, voor wie hij na haar verdwijning ‘vluchtgeld’ moet betalen aan de Fransen, waarbij hij het kwellende gevoel heeft haar op de een of andere manier aan een ‘vonnis’ bloot te stellen. Ook moet er van alles worden goed gemaakt: Caspar begint aan een opleiding voor arts na de dood van zijn moeder en Putto concludeert dat hij arts is geworden om de dood van zíjn moeder goed te maken.

De vraag bij dit alles is alleen in hoeverre de externe gegevens uit het leven van de schrijver meehelpen de interne samenhang van de roman te versterken. Het verhaal moet zich toch allereerst op eigen kracht bewijzen. Daar nu zit het zwakke punt van De ochtendgave. Van der Heijden weet het zeventiende- en achttiende-eeuwse verleden welsprekend op te roepen, onder meer door met archaïsche woorden te strooien als ‘slutsaard’ of ‘prijkmorseel’ (al probeert Caspar op zeker moment ook iets ‘aan te kaarten’), maar het blijft te veel een decor en dat gaat ten koste van het drama. Drama, zelfs tragiek is er genoeg, maar de personages bewegen zich te zeer aan de oppervlakte om bij de lezer onder de huid te kruipen.

Van Sara komen we niet veel meer te weten dan dat ze ‘dierlijk’ of ‘kruidig’ geurt tussen de haarwortels en met ‘wijdopen ogen’ de wereld inkijkt. En Caspars schuldgevoelens worden wel duidelijk benoemd, maar nauwelijks invoelbaar gemaakt. Hetzelfde geldt voor de tegenstelling tussen Sara’s patriottisme en Caspars liefde voor het eigen ‘nest’: die tegenstelling is er evident, maar je wordt er slechts van op de hoogte gesteld, je kunt haar niet mee beleven. De tragedie die zich wel degelijk afspeelt wordt daardoor zelf een deel van het decor, in plaats van daar doorheen te breken. Dat doet zij pas wanneer je de tragische gebeurtenissen in het leven van de auteur erbij betrekt.