Twee grote dromers in de ‘tweede Gouden Eeuw’

Gijs Scholten van Aschat als vioolbouwer Vedder tegen een digitaal negentiende-eeuws Amsterdams decor.

Publieke werken speelt zich af in een tijd waarin de vooruitgang nog bestond: de late negentiende eeuw, een tijdvak in de vaderlandse geschiedenis dat ook wel de ‘tweede Gouden Eeuw’ wordt genoemd, vol optimisme, vernieuwingdrift en bouwlust. Amsterdam is één grote bouwput in de verfilming van de roman van Thomas Rosenboom door regisseur Joram Lürsen: dit is de tijd waarin het ene na het andere markante gebouw verrijst: van Concertgebouw – dan nog gelegen in zompig weiland – tot Rijksmuseum.

Centraal staan twee ambitieuze neven – de Amsterdamse vioolbouwer Vedder (Gijs Scholten van Aschat) en zijn neef Anijs (Jacob Derwig), die een apotheek bestiert in Hoogeveen. Beiden willen mee vooruit met de nieuwe tijd. Vedder denkt fortuin te kunnen maken, omdat hij uitgekocht moet worden uit zijn kleine woning, die in de weg staat van het nieuw te bouwen Victoria Hotel, pal tegenover het al net zo fonkelnieuwe Centraal Station. Anijs bedenkt een plan om dat fortuin te gebruiken om de overtocht naar de VS te financieren van de Drentse turfstekers over wie hij zich heeft ontfermd: zo kunnen ze kapitalist en weldoener tegelijk zijn.

De charme van het verhaal is dat de twee strebers eigenlijk tot de verliezers behoren van de voortrazende modernisering – zo hebben ze zich opgewerkt zonder diploma’s en in de ‘nieuwe tijd’ zijn diploma’s plotseling een vereiste. Zowel de roman als de film plaatst ironische, bitterzoete kanttekeningen bij hun dadendrang.

Epos met dromerige sfeer

De film opent met een nogal brute verkrachtingsscène bij de armzalige turfstekers en heeft daarna enige tijd nodig om weer in balans te komen. Pas na een minuut of tien vindt de film zijn ritme en een toon die mooi het midden houdt tussen historisch epos en een meer dromerige, zelfs een tikje surrealistische sfeer; de schitterend gecomponeerde beelden van cameraman Mark van Aller – eerder dit jaar al onderscheiden met een Gouden Kalf voor zijn werk voor Gluckauf – zijn daarbij minstens zo belangrijk als digitale trucage en decors.

Het verschil tussen digitale constructies en daadwerkelijk gebouwde sets is niet altijd helemaal onzichtbaar, maar onoverkomelijk is dat niet – ook omdat Publieke werken toch al die bij vlagen dromerige sfeer heeft. Het inventieve, bloemrijke taalgebruik van Rosenboom is grotendeels, maar gelukkig niet helemaal, verdwenen – turfsteker Bennemin (een prachtige rol van Juda Goslinga) drukt zich fraai en formeel uit als hij in contact treedt met de hogere standen. Hij is bijna het enige personage dat niet lijdt aan wat Rosenboom ‘standsverwarring’ noemt.

Het kloppend hart van de film zijn de Hoogeveense episoden, waarbij Jacob Derwig opnieuw zijn talent toont om ook kwetsbare kanten van personages over het voetlicht te brengen. De scènes in Amsterdam vallen doffer uit. Gijs Scholten van Aschat speelt Vedder als een gesloten man, zonder werkelijk contact met de buitenwereld. Vedders verhouding tot zowel zijn Amerikaanse neef als zijn zoon blijft schematisch. Een film over de overmoed van twee wereldverbeteraars had ook zelf een extra vonk krankzinnigheid kunnen gebruiken. Publieke werken is bij alle kwaliteit en vakmanschap een tikje te bedaagd om de wanen van deze twee don quichots écht invoelbaar te maken.