Sinatra zingt je toe alsof je erbij bent

Honderd jaar na zijn geboorte inspireert de overleden Amerikaanse zanger nog altijd nieuwe generaties luisteraars en muzikanten.

Frank Sinatra in 1957.Foto Sid Avery

In 1966 zong Frank Sinatra in Las Vegas met het Count Basie Orchestra. Het album Live at The Sands Hotel and Casino is het summum van swing en timing op een fenomenaal strakke begeleiding van een orkest in vorm, onder leiding van Quincy Jones. Het is een liveregistratie die fonkelt van energie, met ronduit juichende swingmuziek. En Sinatra’s grapjes voor een zeer opgewonden, lachend publiek zijn leuk.

 

 

In het midden van het optreden zit een lange monoloog (Tea Break), met licht vileine geestigheden over Dean Martin en Sammy Davis jr. Dat de toen met de jonge Mia Farrow getrouwde zanger net vijftig was geworden, werd met een vet lachje afgedaan als een „vieze communistische leugen”.

Live at The Sands is een jarenzestigklassieker van Sinatra die eruitspringt. Ook voor de Nederlandse zanger en pianist Ruben Hein, die bij deze opnames het gevoel heeft dat hij „erbij was”. Als een van de solisten in het galaconcert dat het Metropole Orkest zaterdag geeft vanwege Sinatra’s honderdste verjaardag, koos Hein liedjes uit deze swingperiode van Sinatra uit. Nummers als ‘You make me feel so young’, ‘One for my lady’ en ‘Fly me to the moon’.

Frank Sinatra is het bekendst van zijn vertolking van My Way, maar het is ook door talloze andere artiesten gecoverd. Een kleine compilatie met de master himself aan het eind:

 

Wanneer Sinatra met dit orkest zingt „is het meteen aan”, aldus Hein. Sinatra’s timing stond compleet in dienst van de tekst, van de manier waarop hij het verhaal zong, zegt de zanger. „Sinatra kon het laten swingen op een manier die bijna anti-swing is – keíhard boven op de kwarten zingend. Zo: ‘Fly. Me. To. The. Moon’. Maar daar stroomt een soort magische jus tussen de noten bij.”

De essentie van de in 1998 op 82-jarige leeftijd overleden Frank Sinatra is voor elke bewonderaar anders. Hij was een ongeëvenaarde zanger wiens losse, nonchalant lijkende maar gedecideerde en precieze stijl nog voor veel zangers een voorbeeld is. Tony Bennett is met Paul Anka de enig overgebleven meesterzanger van het Amerikaanse populaire lied.

Eveneens croonende dertigers als Matt Dusk en Michael Bublé hebben video’s van Sinatra nauwkeurig bestudeerd. Om de naadloze frasering die Sinatra in zijn jonge jaren van Tommy Dorsey’s trombonespel had afgekeken. Zijn ontspannen timing. Zijn maniertjes, dat indringende kijken met die ijsblauwe ogen, die schavuitenlach.

Struin door het New York van Sinatra:

Een luilak en spijbelaar

De op 12 december 1915 in Hoboken geboren Frank Sinatra was het enige kind van Dolly en Martin Sinatra. Zijn moeder was een vroedvrouw, zijn vader runde, niet onder zijn eigen Italiaanse naam maar onder een Ierse naam, een kroeg. Frankie was een klein, weinig sportief, goed gekleed jongetje dat flinke driftbuien kon krijgen. Een luilak op school, een spijbelaar ook, die uiteindelijk van school werd gestuurd, tot grote woede van zijn ouders. Maar dansen en zingen kon hij, met een opvallend flink bereik en een zuiver geluid. Een megafoon was zijn eerste versterker.

Zanglessen hielpen hem met zijn dictie, met stemoefeningen vergrootte hij zijn bereik. Als zanger bij The Rustin Cabin kreeg hij zijn eerste bekendheid toen hij wekelijks op radio WNEW in New York te horen was. In het jaar dat hij met zijn vriendin Nancy trouwde, 1939, vormde hij een band met Harry James, de trompettist die bij orkestleider Benny Goodman vandaan kwam en voor zichzelf begon. Met James en zijn orkest nam Sinatra ‘All or Nothing at All’ op, zijn eerste single. Maar algauw vertrok hij naar het orkest van de vermaarde bandleider en trombonist Tommy Dorsey. Dat was het werkelijke begin van Sinatra’s carrière.

Frankie zou als jonge, immer piekfijn geklede ster de seksuele gevoelens én hysterie (‘Swoonatra’) van vele jonge meisjes aanwakkeren zoals niemand dat ooit in Amerika had gedaan. Zijn jonge naïeve romantiek maakte hem, zeker in ballades met lange zinnen („waarop je met je meisje kon dansen”), de stem van zijn generatie. Eigenwijs was hij in zijn muziekkeuze, verwaand was hij over zijn talent. Wat hij ook deed, bij wie hij ook zong – zijn ambitie was onverminderd groot. Hij wilde de nieuwe Bing Crosby worden, de nieuwe ster op de radio. En dat kon. Met een uitzonderlijke stem maakte hij zich de muziek van grote Broadway-componisten zo eigen dat de meeste liedjes evergreens werden; voor altijd verbonden aan Sinatra’s soepele interpretaties.

Indrukwekkend, maar Sinatra’s carrière voltrok zich zes decennia lang in hevige golfbewegingen. Trok hij mooie filmrollen aan, bijvoorbeeld als jonge dansende matroos met Gene Kelly in de hitfilm Anchors Aweigh (1945), dan stroomden de miljoenen door zijn groteske uitgaves alweer snel door het doucheputje en kon hij vervolgens zijn belastingen niet betalen. Toen begin jaren vijftig zijn populariteit als zanger daalde en het bergafwaarts ging met zijn carrière, maakte hij een terugkeer op het witte doek in de filmhit From Here to Eternity. Met Songs for Young Lovers revancheerde hij zich in de muziek. Hij had zo’n grote hit met het tedere ‘Young at heart’ (1953), in het arrangement van Nelson Riddle, dat zijn film met Doris Day ernaar vernoemd werd.

Hij omarmde de tristesse

Sinatra’s liedjes waren doortrokken van eenzaamheid. Hij omarmde die tristesse door verlangen en passie in zijn muziek te leggen. Hij kon echter slecht alleen zijn, zoveel wordt duidelijk in de lange, interessante documentaire All or Nothing at All , te zien op Netflix en zaterdag op NPO2, die zijn levensverhaal vertelt aan de hand van Sinatra’s fameuze ‘afscheidsconcert’ uit 1971 (de onvermijdelijke comeback kwam drie jaar later al).

Als zanger stonden zijn kwaliteiten buiten kijf. Als mens was hij zeker niet onomstreden. Steeds weer had Sinatra zijn imago op te poetsen. Hij was een overgevoelige lastpak die ruzie zocht. Een man van onbehouwen grappenmakerij en genoeg drank. Net zomin als zijn geruchtmakende biografie His Way (1986) door Kitty Kelley (waarvan hij destijds publicatie probeerde te voorkomen) schuwt de documentaire de controverse: zijn explosieve karakter, zijn banden met ‘vreemd volk’ – gangsters, maffiosi, Las Vegas – en de talloze affaires met actrices, showgirls en serveersters. Zijn romance met Ava Gardner tijdens zijn huwelijk met Nancy, met wie hij drie kinderen kreeg, werd breed uitgemeten. Door haar wist hij pas echt wat een torch song was, kwetsbaar zijn pijn bezingend.

Fascinerend is dat wie eenmaal is betoverd door zijn muziek, dat ook voor altijd blijft. Hij was een entertainer die de kunst verstond iedereen in het publiek erbij te betrekken. Jíj, jij maar ook jij daaráchter. Ik zie jóú. Ik zíng voor jou.

Sinatra is – wat de muzikale trend ook was – zijn eigen muziek blijven maken. Neem de prachtige opnames die hij voor Capitol maakte, zoals de met Nelson Riddle gemaakte thematische albums als In the Wee Small Hours, opgenomen in een melancholieke sfeer, midden in het orkest. En beluister de albums met Count Basie, Antonio Carlos Jobim. Met hits als ‘Strangers in the Night’ en ‘My Way’ gleed hij richting het einde van zijn carrière.

Na veel onderbrekingen en comebacks in steeds grotere zalen ging hij eigenlijk te lang door. De duettenalbums die Sinatra op zijn oude dag maakte – waarvan hij er miljoenen verkocht – zetten voor veel artiesten na hem de maat. Maar ze vormen in artistiek opzicht een dieptepunt. Hij was te ongeduldig om met zijn gasten in de studio te staan. Oftewel, niemand zong echt samen met Ol’ Blue Eyes.