Museum van het griezelig alledaagse

Al anderhalve eeuw slaat Scotland Yard bewijsstukken op – als oefenmateriaal voor detectives.

Galgentouw

Scotland Yard is misschien wel het meest tot de verbeelding sprekende politiekorps ter wereld. Beroemd vanwege de beruchte zaken die het oploste, zoals de Great Train Robbery in de jaren zestig. Of juist niet wist op te lossen: Jack the Ripper, eind negentiende eeuw.

Weinigen weten echter dat de Metropolitan Police, zoals de officiële naam van de Londense politie luidt, een eigen museum heeft, met voorwerpen die het bij misdrijven in beslag nam. Het zogenoemde ‘Black Museum’ werd in 1875 opgericht, en is alleen toegankelijk op uitnodiging. Een deel van de collectie is nu voor het eerst openbaar, en te zien in het Museum of London.

Het zijn 600, deels alledaagse, voorwerpen die griezelig worden door het verhaal er achter. Die rubberen handschoenen? Gebruikt in 1949 door John Haigh toen hij Olive Durand-Deacon in een bad met zwavelzuur oploste. Alleen omdat haar kunsttanden niet oplosten, kon hij worden gesnapt. De fles Veuve Clicquot? Daarmee hadden de treinrovers in 1963 hun Great Train Robbery willen vieren, als ze niet waren opgepakt.

Misdaad verandert, techniek ook

Scotland Yard wil vooral laten zien hoe opsporing zich in anderhalve eeuw heeft ontwikkeld. Het interne museum is „bedoeld om leerling-detectives op te leiden, niet ter glorie van de misdadigers”, vertelt plaatsvervangend commissaris Martin Hewitt. „Je beseft dat je in een lange traditie staat van detectivewerk.”

De collectie bestaat dan ook deels uit valse munten en bankbiljetten, ‘gouden’ ringen, imitatiewapens en verborgen wapens (een talkpoederbusje bleek tijdens de Koude Oorlog een ideale bewaarplaats voor microfilms). Hewitt: „Hoe de daders tot iets kwamen, dat is voor ons het belang. Aan de hand van historisch materiaal kunnen we laten zien hoe misdaad verandert, en onze techniek ook.”

Zo waren de Stratton-broers in 1905 de eersten die dankzij vingerafdrukken werden veroordeeld. Dr. Crippen, die zijn echtgenote in 1910 in de tuin begroef om er met zijn minnares vandoor te gaan, kon dankzij radio-oproepen worden opgepakt. Maar de nieuwsgierigheid gaat toch uit naar de bewijsstukken die na de rechtszaken opgeborgen zijn. De uit kousen gemaakte maskers van de Stratton-broers, de schep die Crippen gebruikte.

Verder is onder meer de medicijnkoffer van Dr. Thomas Neill Cream te zien. Hij vergiftigde zijn slachtoffers en werd beroemd omdat zijn laatste woorden ‘I am Jack the...’ waren. Maar dat was niet zo: Cream zat in een Amerikaanse gevangenis toen de Ripper tussen 1888 en 1891 elf vrouwen vermoordde. Uit aantekeningen van de toenmalige hoofdinspecteur, Donald Swanson, ook in het Museum of London, blijkt dat Scotland Yard-kapper Aaron Kosminski ervan verdacht wordt de moordenaar te zijn.

Vierentwintig van de meest beruchte zaken worden uitgelicht met bewijs, wapens, foto’s en nieuwsbulletins. Maar het Museum of London en Scotland Yard hebben er alles aan gedaan om de misdaden niet te idealiseren. De tentoonstelling opent met een serie rechtbanktekeningen, dodenmaskers, en de touwen waarmee tot 1964 veroordeelde moordenaars werden opgehangen. Geëindigd wordt met het telefoonnummer van Slachtofferhulp, en een video waarin wordt benadrukt dat geweld „geen videospelletje” is.

„We hebben er hard aan gewerkt het verhaal van de slachtoffers te vertellen. Ons museum is geen macabere politieversie van de London Dungeons, het gaat altijd over mensen”, zegt Hewitt. De twee partijen wilden „de slachtoffers van misdaden geen extra leed berokkenen”. Bewijsstukken uit zaken van na 1975 zijn daarom niet tentoongesteld.

Terreuraanslagen sinds 19de eeuw

De enige uitzondering hierop is de zaal over ‘terrorisme’. Dat is geen nieuw onderwerp voor Scotland Yard: al sinds eind negentiende eeuw vinden er terreuraanslagen in de Britse hoofdstad plaats. Om nieuwe detectives te leren explosieven te herkennen, werden restanten en replica’s in de collectie opgenomen. Waaronder een klokbom uit 1884, een van de vier die Ierse nationalisten bij stations hadden geplaatst. En een mortierbom die de terreurgroep IRA in 1991 bij de ambtswoning van de premier in Downing Street liet ontploffen. Plus een nagemaakte kunstmestbom uit 2001 die de groep bij de BBC wilde laten ontploffen.

In de laatste vitrine staan twee rugzakken. Ze lijken net zo onschuldig als de rubber handschoenen van moordenaar Haigh. Maar het zijn replica’s van de tassen waarin de daders van de aanslagen van 7 juli 2005 in de Londense metro en een dubbeldeksbus hun bommen vervoerden. 52 Londenaren kwamen die dag om het leven.