‘Knutselen met geluid is het leukst’

Peter Adriaansz krijgt de Matthijs Vermeulenprijs voor zijn compositie Scala II. Het is schitterend en aansprekend.

Foto Robin Utrecht

Als kind las componist Peter Adriaansz over de bladluis, die zich voortplant zonder seks, uit zichzelf. Dat idee van parthenogenese bezorgde hem een gevoel van walging, dat nooit meer is weggegaan – het strekt zich uit naar zijn vakgebied. Ook al is het een kenmerk van de klassieke traditie: muziek die zichzelf voortbrengt, zonder vooropgezette vorm. Hij moet er niets van hebben: „Richard Strauss – dat verdraag ik gewoon niet.”

Adriaansz (1966) maakt een zachtmoedige en sympathieke indruk. Maar als componist verklaart hij allerlei zaken pertinent non grata: verhalen vertellen, humor, ontwikkeling, referentie, versiering. „Hoewel, versiering haal ik misschien nog wel eens terug”, zegt hij. „Maar dan wel een heel systematisch soort versiering.”

Zaterdag krijgt hij de Matthijs Vermeulenprijs, de belangrijkste Nederlandse compositieprijs. En je zou het misschien niet verwachten van een componist met zulke ideeën, maar Scala II, waarvoor Adriaansz de prijs voor beste compositie van het jaar ontvangt, is schitterende, aansprekende muziek. Adriaansz componeerde het werk voor Slagwerk Den Haag en pianist Ralph van Raat, die het bij de uitreiking tijdens het festival Dag in de Branding zullen uitvoeren. Volgens het juryrapport kan Scala II een groot publiek aanspreken. „En dat is wat ik wil: ik maak muziek voor iedereen.”

Tien jaar geleden gooide Adriaansz het roer radicaal om. Hij realiseerde zich dat hij onderdeel was van een mechanisme: een ‘ecosysteem’ waarin hij voorbestemd was om bepaalde muziek voort te brengen. Hij nam een radicaal besluit, zette zijn complete palet aan technieken bij het oud vuil en begon opnieuw met componeren. „De vrijheid van de kunstenaar is eigenlijk beperkt”, zegt hij. „Je functioneert binnen een bepaalde cultuur, met subtiele restricties en voorschriften, en als dat niet jouw cultuur is – zoals in mijn geval – dan moet je proberen te ontsnappen.”

Sindsdien componeert Adriaansz vibraties. Dat doen natuurlijk alle componisten, maar Adriaansz heeft van klankzwevingen zijn kerntaak gemaakt. Hij vertelt geen verhaal, hij zet een op het eerste gehoor statische toestand neer, waarbij het gaat om wat er ónder de oppervlakte gebeurt, het binnenste van de klank. „Klank staat altijd op één. Er is letterlijk geen ontsnappen aan. Het geluid gaat in je lijf zitten.”

Wanneer je Adriaansz over pascaldriehoeken hoort praten zou je denken dat zijn muziek wordt verwekt en geboren op de tekentafel, maar niets is minder waar. Hij begint altijd vanuit de empirie, met een instrument, luisterend naar de bewegingen van een akkoord. „Knutselen met geluid, dat is het leuke deel: ontdekken, uitproberen. Daarna komen de wiskunde en de uitwerking, dat is ploeteren. Die opening van Scala II heb ik wel tien keer opnieuw gedaan.”