‘Israël moet eens volwassen worden’

Door de manier waarop Israëlische politici zich opstellen, raakt vrede verder weg, vindt oud-Mossad-directeur Efraim Halevy. Hij is pragmatisch: wie vrede wil, moet zijn hand uitsteken.

De regering wilde strenge aanpak van de Palestijnen, met tal van checkpoints, alleen verlichten als eerst een einde komt aan het geweld.

De explosieve situatie rond de Tempelberg van de laatste weken in Jeruzalem wordt door Israëlische politici totaal onderschat. Dat zegt Efraim Halevy, oud-directeur van de Israëlische buitenlandse inlichtingendienst Mossad.

Provocaties van joden en moslims bij de Tempelberg zijn een belangrijke oorzaak van het opgelaaide geweld. Bijna dagelijks voeren Palestijnen, veelal tieners, aanvallen uit op Israëliërs met messen, scharen, auto’s. Naast frustratie over de bezetting en het vastgelopen vredesproces vloeit het geweld voort uit de angst dat Israël uit is op de confiscatie van de Al-Aqsa-moskee, een van de heiligste plekken in de islam en een belangrijk symbool van Palestijns nationalisme.

Halevy was vorige week in Nederland op uitnodiging van het Centrum Informatie en Documentatie Israël. „De huidige leiders van Israël begrijpen niet welke gevoelens de Al-Aqsa-moskee losmaakt bij moslims”, zegt hij.

Halevy kan het weten. Hij voerde in de jaren negentig namens Israël geheime vredesbesprekingen met Jordanië, waarin de heilige plaatsen een belangrijke rol speelden. Toen Israël de Tempelberg in 1967 veroverde op Jordanië, is afgesproken dat joden daar niet zouden bidden. Om religieuze spanningen te voorkomen kwam het terrein op de berg onder beheer van de islamitische stichting Waqf, die rapporteert aan de Jordaanse regering.

Halevy vertelt dat op een cruciaal moment in de onderhandelingen in de jaren negentig de toenmalige Jordaanse koning Hussein zei: er komt geen vrede zonder afspraken over de status van de Tempelberg. „De volgende ochtend bracht ik verslag uit bij [de toenmalige premier] Rabin”, vertelt Halevy. „Ik verwachtte dat hij uit zijn vel zou springen, want hij was een driftkop. Maar hij zei op kalme toon: laat dit maar aan mij over. Twee dagen later had hij een verklaring opgesteld, die ik persoonlijk aan koning Hussein moest overhandigen.” Daarin werd de Jordaanse invloed op de heilige plaatsen verankerd.

„Niemand wist ervan, zelfs de leden van het kabinet had hij niet op de hoogte gesteld”, herinnert Halevy zich. „Als het naar buiten was gekomen, was het zeker getorpedeerd. Rabin besefte heel goed hoe explosief de kwestie was. Hij was ervan overtuigd dat de Al-Aqsa-moskee buiten de politieke strijd moest blijven.”

Maar de afgelopen jaren wordt gemorreld aan de status-quo. Steeds meer joden bezoeken de Tempelberg, en radicale joodse groepen eisen luidruchtig het recht op om te bidden op de berg. Palestijnen vrezen dat ze de heilige plaatsen willen overnemen of zelfs vernietigen, een angst die wordt gevoed door hun leiders. Halevy ziet de toenemende radicalisering van ultraorthodoxe joden als een grotere bedreiging voor Israël dan Iran.

„De regering was te coulant voor de joodse activisten”, vindt Halevy. „Premier Netanyahu riep de activisten niet tot de orde. Deze mensen hebben de steun van rechtse partijen in het kabinet, die willen dat de Israëlische vlag wappert op de berg. De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken bezocht de berg om te bidden, met goedkeuring van de regering. Dat was in mijn ogen een grote fout. Hierdoor is de situatie verslechterd.”

Sinds zijn vertrek uit de publieke dienst legt Halevy zich toe op lesgeven en het schrijven van boeken over de Israëlische politiek en geschiedenis. In het publieke debat vertolkt hij een pragmatisch geluid dat wel vaker klinkt uit kringen van leger en inlichtingendiensten, en dat steeds verder afstaat van de onverzoenlijke rechtse taal van veel politici. Terwijl het leger verbetering van de situatie in Palestijnse gebieden ziet als oplossing voor het geweld, dringen rechtse politici aan op een omvangrijk militair offensief, zoals Operatie Verdedigend Schild in 2002.

Wat zou de regering moeten doen om het geweld te stoppen?

„De regering zegt bereid te zijn de situatie in de Palestijnse gebieden te verlichten. Maar dan moet er eerst een eind komen aan het geweld. Dit doet me denken aan de Tweede Intifadah, toen [toenmalig premier] Sharon onder grote internationale druk stond om een einde te maken aan Operatie Verdedigend Schild. Sharon zei: ik wil dat het eerst zeven dagen rustig is. Maar in dat geval ben je afhankelijk van de andere partij. Die geef je de macht om te beslissen wat er gebeurt. Dit is verkeerd.”

Dat was destijds makkelijker; het geweld was georganiseerd. Nu is het spontaan.

„Ja, maar Israël kan zich nu bijvoorbeeld zeven dagen lang inhouden. En wat de Tempelberg betreft meer toeschietelijk zijn jegens de Palestijnen. Dat verandert de perceptie, dat is heel belangrijk. Dat zou de andere partij de kans geven om eveneens stappen te zetten om de spanningen te verminderen. De vraag is: wie zet de eerste stap? En in mijn ogen is dat de sterkste partij. Maar dat is niet de manier waarop de regering denkt.”

De tweestatenoplossing lijkt een stille dood te zijn gestorven. Het gevolg is een voortdurende bezetting, die Israël zo goed mogelijk probeert te beheersen. Zullen de Palestijnen dit accepteren?

„Dat denk ik niet. Israël zegt: we blijven omdat we anders onze veiligheid niet kunnen garanderen. Een resolutie van de VN-Veiligheidsraad, waarin de contouren van een oplossing werden geschetst, sprak van verdedigbare grenzen voor beide partijen. Dus ook voor de Palestijnen. Maar we doen alsof wij de enigen zijn die daar recht op hebben.”

Hierdoor groeit het isolement van Israël, aangewakkerd door de Palestijnse boycotbeweging. Ziet u dit als een probleem?

„Ik denk dat de boycotbeweging om politieke redenen wordt uitvergroot. Ik zeg niet dat er geen probleem is. Het labelen van Israëlische producten uit de Westelijke Jordaanoever door de EU is een slecht idee. Maar al die politieke grootspraak geeft de boycotbeweging totaal onnodige publiciteit. Een grote internationale campagne, die Israël weer eens afschildert als het slachtoffer van antisemitisme, werkt contraproductief. Het probleem moet gericht en discreet worden aangepakt. Dat is veel effectiever.”

Wat vindt u van de manier waarop Israël zich internationaal opstelt?

„Israël moet ophouden te vervallen in zelfmedelijden. Daar geloof ik niet in. Je kunt niet zeggen dat je een van de grootste militaire machten ter wereld bent en dan gaan steigeren over de labeling van producten. Dan doe je alsof je de underdog bent. Dat ben je niet. Dat kan niet na ruim zestig jaar bestaan als een natie, waarin de bevolking van 600.000 naar 8 miljoen is gegroeid, na zoveel oorlogen waarin we ons hebben laten gelden. We hebben een grotere bevolking dan Denemarken, Ierland of Noorwegen. Drie landen in Europa. Is dat genoeg? We zijn niet langer een kleine, rusteloze en kwetsbare natie die wereldwijd op zoek is naar sympathie. We moeten volwassen worden.”

Ziet u Iran als een bedreiging?

„We moeten niet elke toespraak van een rebelse Iraniër zien als bedreiging. Khamenei kraamt voortdurend onzin uit, maar hij schiet er niets mee op. Iran heeft een pijnlijke nederlaag geleden in Syrië. De inzet van honderden adviseurs en duizenden Hezbollah-strijders was niet genoeg om het regime te behoeden voor ineenstorting. Rusland moest helpen.”

Hoe zou Israël zich moeten opstellen?

„We willen een einde maken aan alle retoriek en onze hand uitsteken. Negen van de tien keer zullen ze die niet aannemen, maar we hebben een kans van één op tien dat het lukt. Wat hebben we aan al die toespraken? Zelfvoldoening? Wow, we hebben een speech gegeven als nooit tevoren. Miljoenen mensen riepen halleluja. Dus? Wat gebeurde er daarna? Niets.”