‘Geen dope in ’t voetbal? Wat denk je?’

Er zijn aanwijzingen voor dopinggebruik, maar harde bewijzen ontbreken in het nieuwe boek van de Duitse journalist.

Onderzoeksjournalist Thomas Kistner weet het zeker: in de voetballerij wordt doping gebruikt, al jaren.

In 2004 gebeurde er iets opmerkelijks in de kwartfinales van de Champions League. AC Milan, destijds titelverdediger, nam het daarin op tegen het Spaanse Deportivo La Coruña.

Het eerste duel, in Milaan, eindigde in 4-1, maar in de terugwedstrijd werd het 4-0 voor de Spanjaarden. Een sensatie. Milan uitgeschakeld, La Coruña door. Wie had dat gedacht? Het behoorde, zeiden romantici, tot de charme van de sport.

Maar de bijzondere prestatie kwam vorig jaar in een ander licht te staan. Andrea Pirlo, destijds speler van Milan, liet in zijn autobiografie Penso quindi gioco (‘Ik denk, dus ik speel’) weinig heel van de prestatie van La Coruña. „De Spaanse spelers waren als bezeten. Het was de eerste en laatste keer in mijn carrière dat ik me afvroeg of ik tegen een tegenstander speelde die dopingmiddelen had gebruikt”, schrijft Pirlo. „Wat ik me het duidelijkste herinner, is dat ze ook in de rust rondrenden. Toen scheidsrechter Meier floot voor het einde van de eerste helft, stormden ze allemaal, zonder uitzondering, in een tempo à la Usain Bolt naar de kleedkamers. Ze konden gewoon niet stil blijven staan.” Pirlo hield er een „naar gevoel” aan over. Het leverde hem veel kritiek op. Pirlo zou een slechte verliezer zijn.

Een typische reactie, vindt de Duitse onderzoeksjournalist Thomas Kistner. Hij publiceerde onlangs Shot, waarin hij onderzoek doet naar dopinggebruik in het voetbal. Doping in voetbal? Bestaat niet! Zeker niet in een sport waar zo’n breed scala aan kwaliteiten wordt gevraagd, zoals uithoudingsvermogen, tempo, kracht, techniek, coördinatie en concentratie. „Diezelfde reacties heb ik ook gehoord in de wielersport en atletiek, waar we nu van weten dat er systematisch doping is gebruikt”, weerlegt de auteur.

Journalisten? Dat zijn fans

Dat er ook in voetbal doping wordt gebruikt, behoeft geen twijfel volgens Kistner. Aanwijzingen zijn er legio, zegt hij tijdens een flitsbezoek aan Nederland. Neem Juventus in 1996, het elftal waarvan is bewezen (en door sommige spelers later ook is toegegeven) dat er doping in het spel was. Neem de zaak rond ‘wielerdokter’ Fuentes, die naast talloze wielrenners ook voetbalploegen bediende (maar dat niet mocht vertellen voor de Spaanse rechtbank). Of, recenter nog: Brazilië op het WK 2014. Kistner: „Heb je de spelers gezien tijdens het volkslied? Ze zongen niet. Nee, ze schreeuwden.”

Enfin, stuk voor stuk spraakmakende voorbeelden, maar het ontbreekt aan hard bewijs. Kistner zucht diep. „Het probleem is dat er in voetbal – en in sport in het algemeen – sprake is van een autonome wereld”, zegt hij. „Dat is natuurlijk gek. In de politiek of het bedrijfsleven heb je meerdere controle-instanties, maar in de voetballerij is de journalistiek de enige controlerende macht.” Dat brengt hem automatisch op het volgende: „Het probleem van de sportjournalistiek is dat veel journalisten ook fan zijn. Dat maakt het lastig. Hoe kun je iemand die je bewondert kritisch ondervragen?”

Positieve tests, zullen ze die stilhouden denk je?

Dat er nooit positieve dopingtests zijn, lacht hij weg. Kistner wijst op Lance Armstrong, Jan Ullrich en Marion Jones. „Zijn zij tijdens hun carrière positief getest? De controles deugen niet. En wat gebeurt er als een federatie een positieve test onder ogen krijgt van een sterspeler? Zullen ze het stilhouden, denk je?” Kistner lacht er veelzeggend bij. Serieus: „Het gekke is: er zijn de afgelopen tien jaar nauwelijks positieve dopingtests geweest, terwijl de ontwikkeling van voetballers juist ongekend was.”

Kistner wil niet ontmoedigen nog langer naar voetbal te kijken. De kern van zijn boodschap is: gebruik je verstand als voetbalfan. „Ik probeer met voorbeelden uit het verleden aan te geven dat er voor mijn gevoel iets niet helemaal klopt. Het draait voor mij om geloofwaardigheid. En het voetbal heeft nog heel wat vragen te beantwoorden wil het geloofwaardig zijn.”