Column

Doet Michelin aan sterreninflatie?

Foto ANP

Worden het er te veel? Michelin deelde deze week 131 sterren uit aan Nederlandse restaurants. Eten in een ‘sterrentent’ lijkt zo minder exclusief dan vroeger. De klacht dat de Michelinster devalueert is niet van gisteren. De beroemde restaurantgids van het bandenmerk ligt bijna traditioneel onder vuur. Dat krijg je als je de subjectiviteit van een kwaliteitsoordeel koppelt aan een vermoed commercieel belang. Toen Japan voor het eerst in de gids werd opgenomen en het sterren regende in de grote Japanse steden, werd dan ook meteen beweerd dat het hier een marketingcampagne betrof: in Japan moesten banden worden verkocht. Hetzelfde gebeurde toen in New York meteen vier driesterrenrestaurants werden aangewezen: klopte dat wel?

Het doet denken aan een vondst waarmee het Britse blad The Economist drie jaar geleden kwam: ‘panflatie’. Ofwel: de devaluatie van zo’n beetje álles. Van Air Miles tot de cijfers van studenten. Tot de verbeelding sprak vooral het voorbeeld dat The Economist uit de modebranche haalde: maatdevaluatie.

Mensen zijn steeds dikker geworden. De modebranche is daar vindingrijk mee omgegaan. De huidige Britse maat 14 voor damesmode is vergelijkbaar met maat 18 in 1975. En maat 10 is de maat 14 van toen. Het verschil, 10 centimeter aan toegenomen taillemaat, is weggewerkt in een sluipende devaluatie van het maatsysteem, dat, passend, de term ‘flatterend’ zou kunnen dragen.

Maar geldt dat nu ook voor de Michelinsterren? In 1957 werden de Beneluxlanden voor het eerst in de gids opgenomen. Nederlandse restaurants ontvingen in dat eerste jaar 10 sterren en in 1958 17 sterren. Vanaf 1960 kwam de ontwikkeling van het aantal sterren in Nederland in een rustiger vaarwater – het waren er in dat jaar 20. Nu worden het er 131.

Een meer dan verzesvoudiging dus: dat lijkt wat veel. Van één ster per zo’n 600.000 inwoners zijn we naar een ster per 150.000 inwoners gegaan. Nederland is dan ook het achtste land ter wereld waar het sterrendichtheid betreft.

Maar is het allemaal wel zo hard gegaan? Je kunt het ook anders bekijken. Het aantal Nederlandse sterren verdubbelt ruwweg elke twintig jaar, en is daarmee vrij constant. Geen versnelling dus, hoewel het wel zo aanvoelt.

De ‘gewone’ inflatie bedroeg tussen 1960 en vandaag vrijwel exact hetzelfde als de sterreninflatie: de prijzen van goederen en diensten stegen gemiddeld óók zesvoudig. Het bbp per hoofd van de bevolking, gecorrigeerd voor inflatie, verdrievoudigde. En tijdens die welvaartsexplosie steeg het aantal hogeropgeleiden enorm. Het aantal universitair afgestudeerden per jaar (eerst doctoraal, toen master) verzeventienvoudigde tussen 1960 en 2014.

Het is lastig om causale verbanden aan te wijzen – het aantal mensen met ernstig overgewicht verdubbelt ook elke twintig jaar. Samenhang tussen sterren en demografische en economische grootheden betekent nog geen oorzaak en gevolg. Maar dan hebben we altijd Ockhams razor nog: misschien wordt er in dit land gewoon wel verdomd goed, en steeds beter, gekookt.