Column

Dingetje

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen

Het hout rond ons voordeurslot ziet eruit alsof het te grazen is genomen door een specht die net te horen heeft gekregen dat zijn vrouw het met de buurvogel doet. Dat komt doordat het lampje in ons trapportaal kapot is en mijn geliefde en ik keer op keer in het donker de sleutel in het slot proberen te steken – zonder even te checken of de plek waar je de sleutel in ramt, wel het slot is. De buren doen, getuige de gehavende staat van hun voordeur, al weken hetzelfde.

Zaterdagochtend besloten mijn buurman en ik om er maar eens werk van te maken. Omdat ik dichter ben en hij toneelmaker, gingen we aan de slag zonder de stroom eraf te halen. Meteen kletterde uit het peertje een vonkenregen die beter paste bij een Rammstein-optreden dan bij onze gang.

„Oeps”, zei mijn bovenbuurman, „wacht, ik haal mijn vrouw erbij, die is architect”.

Zijn echtgenote kwam erbij en bekeek het peertje dat knock-out aan het plafond hing.

Zij: „Ik zie het al, kijk, bij de fitting. Er moet nog zo’n dingetje in.”

„Dingetje?” zei hij.

„Ja, zo’n, ehm, van plastic, lijkt een beetje op Lego.”

„Waarmee je het rubber van het koper haalt?”

„Nee, dat is een striptang”, zei ze streng, „ik bedoel (ze wapperde wat met haar armen), hè, hoe heet dat nou, wacht...”

Ze pakte een stukje papier en tekende het dingetje. Mijn buurman humde begrijpend.

„Aha, zo’n klem om de draden samen te houden!”

Zij: „Nee, zo’n isolatiedingetje, God, hoe heet dat nou.” Hun gesprek deed inmiddels een beetje denken aan dat jarentachtigprogramma Dinges, met Frank Masmeijer (voor hij door Interpol werd gezocht). Daarin omschreven kinderen een woord en moesten bekende Nederlanders als Sandra Reemer en Léonie Sazias raden wat het was.

Terwijl mijn buren doordingesten, bedacht ik me dat woorden als ‘dingetje’ de geboortekanalen zijn waardoor naamloze zaken in onze taal belanden. Net zoals alle dieren in het eerste levensstadium allemaal op elkaar lijken – het embryo van de mens valt de eerste week niet te onderscheiden van dat van een kikkervisje of kuikentje, lijken ook alle woorden in den beginne op elkaar.

Ze heten dan ‘dingetje’, voor ze zich verder ontwikkelen tot specifiekere begrippen als inbrenghuls of monstrans.

Ondertussen scheen er nog steeds geen licht in mijn gang, maar in plaats van mijn buren te helpen was ik aan het schrijven geslagen. Als er uit een scharrelei opeens een babydino komt gekropen, ga je ook niet naar de Praxis, je begint meteen met vastleggen. Ik zou straks, om mijn kluspassiviteit goed te maken, een bloemetje voor mijn buren halen – en ook maar meteen een nieuwe kroonsteen. Je weet wel, een dingetje.