De liefde tussen man en schaap

De IJslandse regisseur Grímur Hákonarson over het succes van zijn film Rams: ‘Ik ben eigenlijk meer van de koeien.’

Het moet even gevraagd worden: heeft hij iets met schapen? De IJslandse filmmaker Grímur Hákonarson (1977) doet net alsof hij de vraag nog nooit gehoord heeft: „Nee, eigenlijk niet.” Hij heeft wel iets met het boerenleven door de vele zomers die hij als kind op de boerderij van zijn grootvader doorbracht: „Maar ik ben dus eigenlijk meer van de koeien.”

Een koeienman dus: de toon voor een met gortdroge humor doorspekt gesprek is gezet. Rams is niet Hákonarsons eerste film over de boerenstand, en de liefde tussen mens en schaap neemt er bijna transcendente vormen in aan. Misschien zijn er wel overeenkomsten tussen een schaapsherder en een filmmaker – „Je bent gewend te wachten, op de uitkijk te staan”– en hebben die lange zomervakanties hem op een leven als filmmaker voorbereid. „Filmmakers zijn ook een soort vrije jongens, net als de boeren. We hebben altijd te weinig geld en worden soms door de maatschappij met argwaan bekeken.”

Oude vrienden

Als hij moet omschrijven wat hem dan wel zo interesseert in die band tussen mens en schaap, dan zijn dat allereerst de sociaal-economische omstandigheden van de boeren, maar dan toch ook die „bijna spirituele band” tussen mens en dier. „Ik was bij boeren op bezoek die door hun schapen werden begroet alsof het oude vrienden waren. Een keer sprong een ram de boer in de armen en leek hem te zoenen.”

Net zoals veel Nederlandse boeren die de afgelopen jaren te maken kregen met het preventief ruimen van hun veestapel in het geval van vogelgriep en mond-en-klauwzeer, is het doden van gezonde dieren ook in IJsland een heet hangijzer. „Het is zelfs maar de vraag hoe besmettelijk, en vooral hoe schadelijk voor de mens scrapie bijvoorbeeld is”, zegt Hákonarson. „Heeft iemand in Nederland daar al een film over gemaakt?” vraagt hij dan. „Waarom niet? Dat is belachelijk. Dat is precies de reden dat ik deze film ben gaan maken. Het zijn allemaal dingen die je in de krant leest, maar speelfilms kunnen zo’n geweldige manier zijn om te laten zien wat het voor de mensen achter het nieuws betekent. Daar heb je soms een beetje fictie voor nodig, om het juist meer waarheidsgetrouw te maken.”

We komen te spreken over traditionele en intensieve, industriële vormen van landbouw en veeteelt. Regisseur Hákonarson vindt zichzelf een beetje een romanticus als het om het boerenbestaan gaat. Hij vertelt hoe de IJslandse regering die tradities nu hip probeert te maken door te investeren in ecologisch boeren: „IJslands lam moet net zo beroemd worden als Wagyu-rund.” Tegelijkertijd: „Ik ben een echte IJslander, ik eet ook walvis. Ik zie mezelf ook niet zo snel een stuk vlees laten staan voor het milieu.”

De IJslandse film zit in de lift. Een paar weken geleden ging Virgin Mountain van Dagur Kári al in première (zijn hoofdrolspeler Gunnar Jónsson is ook weer te zien in Rams). Baltasar Kormákur (Everest) heeft de overstap naar Hollywood gemaakt. De regisseur van Volcano, Rúnar Rúnarsson, heeft een nieuwe film af. De helden van de IJslandse film zijn vaak geïsoleerde, zwijgzame mannen met baarden, die ook in Oscarinzending Of Horses and Men een veel intiemer contact hebben met hun dieren – paarden – dan met elkaar.

Eenlingen

Succes, een eigen toon: in een vergelijkbaar klein filmlandje als Nederland kijken we daar dan al snel jaloers naar. Hoe doen ze het? Hákonarson moet erom lachen: „Niet dat wij nu opeens het wiel hebben uitgevonden. Zonder coproducties met de andere noordelijke landen kunnen we niet eens bestaan. Je kunt eerder zeggen dat we toevallig een generatie van eenlingen zijn, die met veel standvastigheid en doorzettingsvermogen, en zonder dat we er ooit rijk van worden, onze films maken. We hebben allemaal in het buitenland gestudeerd, dat wel. In IJsland is geen filmopleiding. Maar toen zijn we allemaal ook teruggekomen om in ons eigen land films te maken, terwijl we bij onze ouders inwonen en noedelsoep eten. Misschien is het die loyaliteit, gecombineerd met een wijde blik, die de IJslandse film zo herkenbaar maakt.”