‘Waarom moet de toezichthouder dat allemaal handhaven?’

De inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit vindt dat de vleessector strenger voor zichzelf moet zijn. „Wij constateren nog regelmatig dingen waarvan we zeggen: hier zitten risico’s.”

Harry Paul: „Als we op bepaalde terreinen strenger zijn, wordt de fraude verlegd naar andere terreinen.” Foto Frank Ruiter

Harry Paul kreeg bij zijn aantreden in 2013 als inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) niet eens een eigen werkkamer. Dat had niets te maken met de reeks bezuinigingen en reorganisaties die de toezichthouder zwaar hebben getroffen, maar met ‘het nieuwe werken’: geen eigen bureaus, flexplekken. Dat is intussen hersteld. Hij bezet nu een zeer krap bemeten en kale kamer.

Paul moet nog veel meer rechtzetten. De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) oordeelde vorig jaar in een vernietigend rapport dat de handhaving in de vleesketen door de NVWA „zwak” en „niet consistent” is.

Ook politici en bedrijven hebben al jaren klachten over de dienst, die zich niet alleen toelegt op voedselveiligheid, maar ook op diergezondheid, plantgezondheid, bestrijding van exoten (zoals de tijgermug) en productveiligheid (van kinderstoelen tot boormachines). De NVWA zit nu midden in een ‘verbeterplan’.

De hoogste baas van de dienst is derhalve „zeer terughoudend om in de media op te treden”. Als hij een interview geeft, eens per jaar, weegt hij zorgvuldig zijn woorden. Vaak wisselt hij een betekenisvolle blik met zijn woordvoerder. Bijvoorbeeld wanneer hem wordt gevraagd of hij vreest dat de koers van de NVWA weer wordt verlegd door de nieuwe staatssecretaris op Economische Zaken, Martijn van Dam (PvdA). Dan zegt hij: „Voor mij is uitgangspunt het verbeterplan dat is geaccordeerd door de Tweede Kamer.” Morgen vergadert de Kamer opnieuw over de problemen bij de NVWA.

Hoe beoordeelt u de kritiek op de NVWA?

„Die is van heel verschillende aard. We zitten in een krachtenveld van consumenten, politiek, bedrijven en media. Dan vindt ook iedereen wat van je. En de NVWA is een fusieorganisatie die het resultaat is van politieke beslissingen, waarbij vooral efficiencyoverwegingen een rol hebben gespeeld. En niet heel stevige, inhoudelijke doordenking van de kwaliteit van toezicht. Er zijn aannames gemaakt die achteraf niet kloppen. Dus als het gaat om de kwaliteit en de positie van de organisatie, dan herken ik wel een aantal kritiekpunten. Zoals dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen keuren en toezicht. Dat onderschrijven wij.”

Waarom moet er onderscheid komen tussen keuren en toezicht?

„Tot nu toe vroegen we de dierenarts die vee keurde voor de export ook om een boete op te leggen als er iets mis was. Maar wij merken dat iemand die gewend is vee te keuren, minder kijkt naar het systeem bij een bedrijf. En hij is dicht bij het bedrijf betrokken, want het bedrijf betaalt voor die keuring. Dus de keurders die daar ter plekke moeten optreden, komen in een spagaat terecht. Ik ga het nu organisatorisch scheiden. De keurder en de toezichthouder worden verschillende mensen. Toezicht heeft een andere mentaliteit en vraagt om andere competenties.”

Is er ook kritiek op de NVWA die u onterecht vindt?

„Het bedrijfsleven vindt dat we nu te streng zijn en te veel boetes geven. Maar op basis van wat wij zien, maken wij ons zorgen. Het bedrijfsleven, met name de vleeshandel, heeft een buitengewone economische rationalisatie gehad: slachthuizen met enorme bandsnelheden, alles geautomatiseerd... waarvan wij zeggen: ho ho, er zijn ook normen waaraan we moeten voldoen. Zoals Europese wetgeving en importeisen van andere landen.

„Het geval is dat we een aantal jaren op een lager niveau of onvoldoende toezicht op die regels hebben gehouden. Het bedrijfsleven is daaraan gewend geraakt. Mede onder druk van de media, maar ook van de OVV, hebben we een verbeterplan ingezet en daarmee worden al spectaculaire resultaten geboekt. Dat niet iedereen daar blij mee is... tja. Maar door ons strenge optreden zie je de poepsporen op de karkassen in slachterijen in twee of drie weken al afnemen.”

Waarom trad de NVWA niet eerder streng op?

„De NVWA zoals ik haar aantrof, was heel erg bezig met het verwerken van de inkrimping en de fusie en er waren een paar vitale functies, zoals risicobeoordeling, onderontwikkeld. Nu kijken wij naar de hele keten en bedenken we waar welke risico’s zitten. Neem chemische verontreiniging als dioxine, die vindt vooral plaats aan het begin van de keten, bij het veevoer en de boer. Terwijl fraude bijna altijd plaatsvindt aan het eind, als de gehaktmolen heeft gedraaid. We zijn met een enorme transitie bezig. Maar een organisatie die in twintig jaar is ontstaan, heb je niet in een paar jaar omgebogen.”

Volgens de Consumentenbond is uw organisatie door alle bezuinigingen en reorganisaties ‘politiek mishandeld’. Deelt u die mening?

„Er is vanaf de jaren negentig lang anders naar toezicht gekeken: het kan wel een tandje minder, je moet vertrouwen op het bedrijfsleven. Onze medewerkers hebben heel lang het gevoel gehad dat toezicht er niet meer toe deed. Als steeds vanuit de politiek wordt gezegd ‘je moet minder streng zijn’, dan motiveert dat niet.

„Een paar jaar geleden is dat gekenterd. Door schandalen bij de woningcorporaties en in de voedselketen is toezicht meer onder de aandacht gekomen. Het nieuwe beleid voor de NVWA dat onlangs naar de Kamer is gestuurd geeft duidelijk een steviger richting aan. Daar ben ik, eh... blij mee. Maar we moeten ook een zekere vorm van continuïteit hebben en niet bij elke politieke wissel een nieuw toezichtskader.”

Bent u voorstander van meer toezicht?

„Ik pleit niet voor een enorm grote, zwaar opgetuigde toezichthouder. Ik kijk naar de risico’s. Als een sector helemaal zijn verantwoordelijkheid neemt, kun je met minder toezicht toe. Maar wij constateren nog regelmatig dingen waarvan we zeggen: dit is onvoldoende niveau van naleving, en hier zitten dus risico’s.

„Wij zijn bijvoorbeeld nu dus met poepvlees bij slachterijen bezig. We vinden dat de keten beter zijn werk moet doen. Bedrijven zeggen niet tegen elkaar: jij mag alleen aan mij leveren als je producten in orde zijn. Dan zou de NVWA een stapje terug kunnen doen. Ze zeggen tegen ons: wij kunnen er niks aan doen, we hebben vuile koeien gekregen. Maar ze kunnen ook zeggen: wij accepteren geen vuile koeien. Waarom moeten wij dat als toezichthouder allemaal handhaven?”

‘Risicogericht toezicht’ is de nieuwe koers van de NVWA. Wat is dat?

„We hebben veel meer behoefte aan data-analyse. Als je de horeca inspecteert, kun je steekproeven nemen. Maar je kunt ook Facebook en Twitter analyseren om te kijken of mensen zeggen: ‘Ik heb hier gegeten en ben ziek geworden’. Dan kun je er gericht heen. Onlangs was ik met de douane in de Rotterdamse haven. En dan worden er selecties gemaakt van de vrachtbrieven van bedrijven die we niet kennen, of met onbekende bestemmingen. Die containers scannen we. En het was raak: 80.000 liter illegale gewasbeschermingsmiddelen. Eén op de drie containers die we eruithalen, is raak. Omdat we nu werken op basis van risicoanalyse.”

Is fraude een groter probleem dan voedselveiligheid, als onbedoelde besmetting?

„Als het om fraude gaat, heeft dat ook gevolgen voor de voedselveiligheid. Jarenlang is gedacht: fraude is vervelend, maar dat is geen gevaar voor de volksgezondheid. Maar bij het paardenvlees zaten ook ongekeurde paarden die waren behandeld met medicijnen en toen hebben we ook het vlees aangetroffen waar medicijnen in zaten. Wij zeggen eigenlijk: ongekeurd is per definitie onveilig.”

Waarom heeft u het paardenvlees waarmee Willy Selten fraudeerde dan niet teruggeroepen bij de consument?

„Wij hadden geen administratie, althans Selten had geen administratie. We konden wel zien aan wie hij had geleverd. En aan wie die weer hadden geleverd. Maar op een gegeven moment houdt het op.”

U wist dus gewoon niet wat in de supermarkten van Selten kwam?

„Dan zouden we alle administraties van alle bedrijven in de keten moeten kennen. Maar de verspreiding sprong van 1 naar 132 bedrijven en zo verder. Elk bedrijf moet zelf zijn afnemers informeren. Wij zeiden op een gegeven moment: rapporteer erover aan ons. En dan deden wij er wel controles op. Maar...” Paul zucht diep. „Het is in dit soort gevallen altijd een vraag van proportionaliteit.”

Is fraude een groot probleem?

„Het punt van fraude is dat je het niet weet. We vinden weleens dingen en uit de omvang... Laten we het zo zeggen: fraude is zeer winstgevend. Wij richten er meer onze aandacht op. En we zijn met een aantal grote zaken bezig.”

Dus de omvang is niet klein?

„Nee. Het is niet klein. Nee. Nee.”

Is het eten in Nederland over het algemeen veilig? Moeten mensen zich zorgen maken als ze boodschappen doen?

„Het eten in Nederland is over het algemeen veilig, laat ik dat vooropstellen. Maar er is een zekere neiging om vanwege economisch voordeel dingen te doen die niet mogen.”

In dertien willekeurige hamburgers zit vlees van 200 slachterijen en geen enkel etiket klopt, bleek uit uw steekproef.

„Daarvan zijn we toch wel een beetje geschrokken. Dat in een hamburger vlees van tien slachterijen zit, is op zich legaal. Maar als er wat mis is en je moet gaan terugroepen, dan wordt het heel ingewikkeld om dat snel en adequaat te doen. En dan is de schade ook veel groter. En als het etiket niet klopt, wordt het terugroepen nog veel ingewikkelder, want dan klopt de administratie ook niet. En je moet als consument ook kunnen vertrouwen, dat erin zit wat erop staat.”

Zegt dit alleen iets over hamburgers, of komt het ook voor bij andere producten?

„Met name bij samengestelde producten. Maar eigenlijk overal waar geld mee te verdienen valt. We hebben olijfoliefraude gehad, wijnfraude. We zien dat als we op bepaalde terreinen strenger zijn, de fraude wordt verlegd naar andere terreinen.”

U zei eerder dat u terughoudend bent met het eten van worst. Dat vond de vleessector, zacht gezegd, vervelend.

„Ja, ik moet daar voorzichtig in zijn. En het moet op feiten gebaseerd zijn.”

U kent de feiten als geen ander. Vermoedelijk is die uitspraak daarop gebaseerd.

„Mijn mening doet er niet zoveel toe. We communiceren ook maar beperkt met consumenten. Maar als het gaat om risico’s in het systeem, vind ik dat we een verantwoordelijkheid hebben. Een supermarkt kan stunten met vlees om klanten binnen te halen. Maar zo’n actie legt druk op de productieketen, druk om goedkope grondstoffen te kopen die kwalitatief minder goed zijn. Die druk op het systeem vind ik risicovol en niet verantwoord.”