‘Sportblessures kosten 1,5 miljard per jaar’

Dat stelde SP-Kamerlid Michiel van Nispen in een motie die opriep tot meer preventie.

Foto thinkstock

De aanleiding

Bij de behandeling van de begroting van minister Schippers (Volksgezondheid, Welzijn & Sport, VVD), vorige maand in de Tweede Kamer, uitte Kamerlid Michiel van Nispen (SP) zijn zorgen over de preventie van sportblessures. Volgens de SP-parlementariër wordt er de komende jaren op subsidies bezuinigd. Er zou 4 ton nodig zijn voor goede voorlichting, het delen van informatie over adequate behandelingsmethodes en het voorkomen van terugkerende blessures. Een waardevolle investering, vond hij, want „sportblessures kosten jaarlijks 1,5 miljard euro”.

De motie die hij met dat doel indiende, werd vorige week overigens weggestemd. Minister Schippers had de motie ontraden, omdat de sportgeneeskunde inmiddels via de reguliere zorg wordt gefinancierd.

Waar is het op gebaseerd?

Cijfers over sportblessures te over. Gevraagd hoe hij op die 1,5 miljard gekomen was, stuurt Kamerlid Van Nispen een half dozijn aan studies en stukken. De ‘Blessurecijfers’ van de stichting VeiligheidNL en het ‘trendrapport’ Bewegen en Gezondheid 2000/2014 van TNO bieden het meest uitgebreide en recente overzicht. Van Nispen combineert een paar cijfers en gaat kruislings vermenigvuldigen. Volgens de overheidswebsite Volksgezondheidenzorg.info waren er in 2011 3,9 miljoen blessures met 1,3 miljard aan kosten. Van Nispen: „Als je dan ziet dat er in 2013 4,5 miljoen sportblessures waren dan mag je ervan uitgaan dat het totale kostenplaatje 1,5 miljard bedroeg.”

En, klopt het?

De motie van de SP’er ging over „maatschappelijke kosten” van sportblessures. Dat zijn niet alleen de directe medische kosten die bij de diagnose en behandeling van sportblessures worden gemaakt. Het gaat ook om de kosten buiten de gezondheidszorg. Denk daarbij vooral aan zogeheten ‘verzuimkosten’: een geblesseerde kan enige tijd niet of minder werken. Of de reiskosten die een patiënt moet maken om bij zijn fysiotherapeut of arts te komen.

TNO noemt in haar rapport alleen de medische kosten voor blessures: in 2013 ging dat om 530 miljoen euro voor zowel jeugdigen als volwassenen. Er waren in totaal bijna 5,1 miljoen sportblessures. In de rekensom van Van Nispen zouden de maatschappelijke kosten dan hoger moeten liggen: 1,7 miljard euro. Hij zegt dat je daarvoor eigenlijk de aparte blessurecategorieën ‘jongeren onder de 18’, ‘ouderen’ van boven de 65 en ‘chronisch zieken’ niet moet meenemen, want daar spelen de aan werk gerelateerde verzuimkosten geen rol. Maar het rapport maakt dat onderscheid niet.

Een eenvoudiger antwoord geeft het rapport Sportblessures van VeiligheidNL uit april – een onafhankelijke stichting, die veiligheidsonderwerpen onderzoekt en analyseert. Dat rapport meldt: „De totale maatschappelijke kosten van sportblessures schatten we op ten minste anderhalf miljoen euro”. Dat ‘miljoen’ moet een tikfout zijn, want uit de berekening blijkt dat ze 1,5 miljard bedoelen.

Het rapport splitst de kosten uit naar medische kosten – eenderde, waarbij ook zij uitkomen op ruim een half miljard. Tweederde deel ervan (je zou zeggen één miljard, al wordt dit cijfer niet expliciet genoemd) zijn de verzuimkosten. Die worden berekend met een rekenmodel van VeiligheidNL en het Erasmus MC, en dat model staat hoog aangeschreven: het is de enige bron en er wordt overheidsbeleid op gebaseerd. Die verzuimkosten zouden in 2011 zo’n 840 miljoen zijn geweest.

Conclusie

Exacte berekeningen zijn er niet, alleen schattingen. Bovendien is er geen sluitende definitie van wat ‘verzuimkosten’ zijn. Het bedrag komt uit een rekenmodule van VeiligheidNL en Erasmus MC (twee betrouwbare instellingen); ook het ministerie van VWS gaat uit van 1,5 miljard. Wij hebben de achterliggende gegevens van de module niet kunnen controleren, maar we beoordelen de stelling als waar.