Column

Nederland gered

Wie had kunnen denken dat ‘de eer van Nederland’ ooit nog eens in Eindhoven zou worden gered? Ik niet, eerlijk gezegd. Toch noemden de SBS6-verslaggevers het zo toen PSV zich gisteravond met vijftien andere clubs plaatste voor de volgende ronde van de Champions League. Vroeger was zo’n plaatsing een soort automatisme, maar we zijn een bescheiden voetballandje geworden met bescheiden verwachtingen.

Ik merkte dat thuis, waar ik mijn vrouw, nota bene afkomstig uit Eindhoven, aanvankelijk niet warm kon krijgen voor deze wedstrijd. Het bleek uit relativerende vragen als „Wie speelt er precies’’, „Waar is het eigenlijk?” en „Spelen er nog veel Eindhovenaren in PSV”? Vragen die mijn concentratie lelijk verstoorden en me het gevoel gaven dat ik naar een sterk overgewaardeerd potje zat te kijken.

Daar kwam nog bij dat PSV niet geweldig speelde: degelijk, maar fantasieloos in de aanval. Toen ze in de tweede helft plotseling ook nog een achterstand opliepen, voelde ik me veranderen in een fietsband die snel leegliep. Daar gingen ‘we’ weer! Een schlemielige penalty tegen! Het was het huidige Nederlandse voetbal ten voeten uit. Ik zag de slotfase al voor me: wanhopige, uitzichtloos voortploeterende voetballers in een steeds stiller stadion.

Op de bank begon mijn vrouw ironisch te zingen: „Vooruit nu rood-witten, vooruit PSV!’’ Ik keek haar verbaasd aan. „Het clublied”, lichtte ze toe, „ik ken het nog een beetje van vroeger.”

Ze zocht het op haar iPad op en zong uit iets vollere borst: „Voor Rood-Wit gezongen/ Vol man’lijke kracht/ Een lied met ons allen/ Want eendracht maakt macht/ Wij trekken ten strijde/ Een strijd vol van vree/ Vooruit nu Rood-Witten/ Vooruit PSV.

Ze was nog niet uitgezongen of het stadion in Eindhoven ontplofte: Luuk de Jong had gescoord. Ook wij reageerden enthousiast, maar vervielen weer snel tot doffe ontgoocheling toen Manchester United in Wolfsburg gelijk kwam. PSV moest wéér scoren. Met déze voorhoede? Het leek onmogelijk.

Toen kwam Pröpper. De Arnhemmer was de minst opvallende speler van het veld geweest, zo’n speler die je nou nooit eens over het dooie punt heen helpt. Opeens gooide hij alle Arnhemse schroom van zich af – en scoorde magnifiek.

En wie zat er toen niet meer naast mij op de bank, maar stond er bovenop? De mens is een opportunistisch wezen. Succes kent vele moeders. Al die gedachten schoten door mij heen, maar ik hield ze voor me, klom naast haar op de bank zodat we, met de iPad als autocue, in close harmony konden zingen: „Er komen tijden/ van veel tegenslag/ Dan zullen wij tonen/ Wat vriendschap vermag/ De strijd zal ontbranden/ Eenieder vecht mee/ Vooruit nu Rood-Witten/ Vooruit PSV!

Daarna konden we ons in een gelukzalige roes overgeven aan de wezenloze nagesprekjes waar sportuitzendingen het patent op hebben. „Wat ging er door je heen?” „Beschrijf eens wat er gebeurde?” Ook Davy werd geïnterviewd. We konden hem niet verstaan, de Arnhemse schroom was alweer terug. Coach Phillip Cocu kreeg van de verslaggever de superieure SBS6-vraag: „Waar ga je straks helemaal uit je knar?” „Ik neem een paar wijntjes”, zei hij. Hij is opgegroeid in Zevenaar, dichtbij Arnhem.

Waar zal het eindigen? Vermoedelijk al in de volgende ronde. Maar dat geeft niet. Nederland staat weer op de kaart. Dankzij Eindhoven. En Arnhem dus.