Museumkever

Dankzij een functieverandering ben ik verhuisd naar de directeurskamer. Fijn natuurlijk, maar omdat ik als conservator behoorlijk wat spullen verzameld heb, vergde dat meer dan het verplaatsen van een pennenbakje. De laden van mijn bureau puilden uit met spullen die ik daar ‘even’ had opgeborgen: een doosje met nagels van een krokodil, het ei van een kanarie, een pot spinnen uit Nieuw-Guinea, drie paradijsvogelkoppen.

Onderin links deed ik een schokkende ontdekking. In een hermetisch afgesloten doorzichtig plastic doosje lag een volkomen kaalgevreten opgezet, jong konijntje. Het enige wat niet aangetast is, zijn de glazen oogjes. Het destructieve werk is gedaan door larven van de museumkever (Anthrenus verbasci) – de schrik van elke conservator. Deze vraatzuchtige insecten voeden zich met haar en veren. Het konijntje is 15 jaar geleden uitgeleend geweest en toen kennelijk besmet geraakt met kevereitjes.

Mensen kunnen er ook last van krijgen. Het Scandinavian Journal of Gastroenterology (1998) meldt een door museumkevers veroorzaakt (zeldzaam) geval van ondragelijke jeuk aan de anus. Dat is mij in al die jaren gelukkig bespaard gebleven.