Jalal uit Iran heeft Zweden in 30 jaar zien veranderen

Jalal vluchtte uit Iran naar Zweden. „Links doet alsof ze plek hebben voor al die mensen. Maar kunnen al die mensen hier ook een leven opbouwen?”

De taxi stopt voor mijn hotel aan de Östgötagatan. Het is een zwarte Toyota Prius met op het dak een lichtbak waarop Stockholm 1333 staat. De taxichauffeur stapt uit, we springen elkaar in de armen en rijden daarna samen verder naar zijn huis net buiten de Zweedse hoofdstad. 

Jalal, zo heet hij, is 65 jaar en een goede vriend van mijn moeder. Hij is zo lief en klein dat je hem tijdens het groeten even wilt optillen.

Na de Iraanse revolutie vluchtte hij naar Zweden – een idee van de smokkelaar. Zes maanden later kwam zijn gezin ook over.

Mijn moeder was op de middelbare school in Teheran bevriend met een van zijn zusjes, die nu in Wiesbaden woont. Enkele jaren geleden vonden ze elkaar op Facebook. Toen mijn moeder ook Jalal weer zag, wist zij nog wel wie hij was, maar hij kon zich haar niet herinneren. Hij heeft dan ook zes zussen die verspreid over Noord-Amerika en Europa wonen. De oortjes van zijn koptelefoon hangen altijd in de buurt van zijn kraag, ze bellen elkaar veel.

Gescheiden

Als enige kwam Jalal naar Zweden. Het droomland voor vluchtelingen, wist ik als kind begin jaren negentig al. Je kon daar heel snel heel ver komen, zo ging het verhaal.

In de taxi vraagt Jalal waarom ik in Zweden ben. Ik vertel hem over de brandstichtingen bij azc’s en de groeiende populariteit van de extreem-rechtse Zweden-Democraten. Voor deze krant onderzoek ik of het tolerante Zweden minder tolerant wordt. „Links doet alsof ze plek hebben voor al die mensen. Dat hebben ze misschien wel”, zegt hij, „maar kunnen al die mensen hier ook een leven opbouwen?”

We arriveren in zijn kleine appartement, waar hij alleen woont. Net als alle andere Iraanse vluchtelingen die ik ken, is hij gescheiden van zijn vrouw. In zijn boekenkast staan acht planken met Zweedse en Engelse boeken, twee met Perzische. Zijn cd-collectie: Mahler, Beethoven, Schubert, Chopin, Bach – en een paar gebrande cd’s met Iraanse liedjes.

Jalal werkte in Iran als stadsarchitect voor de gemeente. Tijdens de revolutie zat hij bij een communistische groepering. Begin jaren tachtig werd hij opgepakt en vastgezet in de beruchte Evin-gevangenis.

„Ja, er werd daar gemarteld”, vertelt hij aan het ontbijt de volgende ochtend. Hij legt zijn broodje kaas terug op zijn bord – ik vraag niet door.

„Na de revolutie was Iran Iran niet meer”, gaat hij verder. „Bij een sollicitatiegesprek vroegen ze eens of ik bid. Ik zei verbaasd: ‘Nee.’ ‘Beloof je te gaan bidden als je hier straks werkt?’ vroegen ze. Ik: ‘Nee.’ Dus kreeg ik de baan niet.”

Na zijn vrijlating verliet hij Iran.

Ex-communist

In Zweden ging hij opnieuw naar de universiteit, maar werk vinden was lastig. „In de jaren tachtig gingen mensen hier echt niet aan één tafel zitten met een zwartharige als ik” – hij wijst naar zijn schouderlange grijze haren. „Laat staan dat je een goede baan kon krijgen.” Hij werd taxichauffeur. Maar in korte tijd zag hij veel veranderen in Zweden. „Als je nu naar de dokter gaat, is de kans groot dat jouw arts niet in Zweden is geboren. In de wetenschap, in het onderwijs, in de politiek: overal werken buitenlanders.”

Zijn jongste dochter is net afgestudeerd aan de universiteit van Oxford en gaat promoveren. Zijn oudste dochter, bioloog, doet onderzoek aan een belangrijk instituut.

„Toen ik hier als 38-jarige kwam, wist ik niet dat ik het zo moeilijk ging krijgen. Mijn leven in Iran was veel beter.” Maar als ex-communist voelde hij zich in Zweden erg thuis door het socialistische karakter van het land, zegt hij. „Nu vraag ik me af hoe houdbaar dat systeem is.”

Over twee weken gaat Jalal met pensioen. Hij blijft dan nog parttime rijden voor een taxibedrijf, anders komt hij niet rond, zegt hij.

„Op tv was laatst te zien hoe gepensioneerden hier iedere maand worstelen om een bezoek aan de bioscoop te kunnen brengen. Dat is waarom die rechtse partij populair wordt.”