Ik wilde er geen imitatie van maken

Nooit had Michael C. Hall durven dromen dat hij in een toneelstuk Bowie-nummers zou zingen waar Bowie bij is.

Michael C. Hall. Foto: Christian Weber

Hoofdrolspeler Michael C. Hall (44), bekend van Dexter en Six Feet Under, vond werken met David Bowie ‘surrealistisch’. „Dat ik Bowie-nummers sta te zingen in aanwezigheid van David Bowie, als een personage dat hij eerder heeft gespeeld – het is nog steeds moeilijk te geloven dat dat echt gebeurt. Het is voorbij een droom die waarheid wordt, want ik heb dit zelfs nooit durven dromen.”

In Lazarus speelt Hall de mensachtige alien Thomas Newton. Hetzelfde personage werd door David Bowie vertolkt in de verfilming van The man who fell to earth (1976), de sciencefictionroman van Walter Tevis uit 1963. Het toneelstuk, geschreven door Enda Walsh en Bowie, is een vervolg op die film. Hall is, met zijn brede schouders, gespierde armen en imposante sixpack een compleet ander type dan de fragiele, androgyne Bowie, die veel meer leek op de beschrijvingen van Walter Tevis van zijn alien: mager, kwetsbaar, bleek.

Hall: „Het ging er absoluut niet om dat ik Bowies fysiek of speelstijl zou imiteren. Voor mijn vertolking van Newton probeerde ik me vooral zijn positie in te beelden: je komt uit een volstrekt andere wereld, denkt dat je even ergens op vakantie gaat, en blijkt dan niet meer weg te kunnen komen, dertig jaar lang, terwijl je op je tijdelijke verblijfplaats ook nooit echt aardt. Als ons stuk begint, heeft Newton alle hoop op een terugkeer, of een menselijk bestaan opgegeven. Hij smoort zijn depressie met televisie en drank. Dat moedeloze en uitzichtloze heb ik geprobeerd in fysiek spel te vertalen.”

Er is weinig in zijn optreden dat expliciet doet denken aan een buitenaards wezen. Een buitenstaander, dat wel, een loner, een eenzame ziel. „Ik kreeg van Ivo van Hove de opdracht vooral niet te alienachtig te willen zijn, met piepjes en bliepjes en wat je je zoal bij marsmannetjes voorstelt. Newton is in veel opzichten menselijk. Het boek heet niet voor niets The ‘man’ who fell to earth, niet de alien. Met zijn neiging zijn pijn te verdoven met tv en drank kan hij zelfs symbool staan voor een groot deel van de mensheid.”

Opvallendste aanwijzing die hij van Van Hove kreeg, was dan ook: doe minder! Vertrouw op wat je uitstraalt, op wat er is. Hall: „Ik heb eigenlijk weinig tekst in de voorstelling, dus mijn lichaamstaal moet communiceren. Ivo gaf ons opdracht de personages eerder fysiek te benaderen dan psychologisch of intellectueel. Dat past bij de schrijfstijl van Walsh, die primair, instinctief, bijna dierlijk is.”

Geen schim maar een lobbes

Was Bowie in de film een onthechte, lumineuze schim, in Lazarus is Hall meer een terneergeslagen lobbes. „In het boek las ik dat Newton op zijn eigen planeet kon vliegen. Op aarde trekt de zwaartekracht aan hem, werkt hem tegen, drukt op zijn schouders. Ik probeer invoelbaar te maken dat hij een groot gewicht meetorst – letterlijk en figuurlijk – dat hem naar de grond trekt. Dat gewicht is in die dertig jaar sterk toegenomen. Het verplettert hem.”

Hall voelde zich uitgedaagd door Van Hove, vertelt hij, en „bereid om heel ver voor hem te gaan. Dat is omdat hij enerzijds veeleisend is, maar je anderzijds een groot gevoel van veiligheid geeft. Ik vertrouwde hem volledig. Hij is slim en communiceert heel helder wat hij van je wil, wat hij zou willen zien en ervaren, en laat het dan aan jou om te zien hoe je daar komt. Vervolgens is hij er ook weer zeer duidelijk over of dat is gelukt of niet, haha.”

David Bowie bemoeide zich niet inhoudelijk met de rol, zegt Hall, en nauwelijks met zijn vertolking van de nummers. „In het begin hebben we wel melodielijnen doorgenomen, maar dat was het. Hij is uitsluitend vriendelijk en bemoedigend geweest. Als hij al kritiek op ons had, heb ik dat nooit gemerkt. Dat heeft hij dan waarschijnlijk met Ivo besproken.”

Hall geniet bij deze productie vooral van het zingen van de typische Bowie-nummers, zegt hij. „Ze zijn vreemd, een beetje duister, en creëren een unieke sfeer, een wereld op zich, dat is ook waarom ze zo goed zijn. Het is duidelijk dat Bowie zich als muzikant thuis voelt in het universum van Thomas Newton. In zijn muziek zijn verlangen, hoop, liefde en dood de constanten, en dat geldt ook voor dit stuk. Dus het is een heel gelukkig huwelijk.”