Hoe overtuig je je baas om een schilderij aan te schaffen?

(56) stelt de kunstcollectie samen van chemieconcern DSM. Voor iedere aankoop schrijft ze een notitie met argumenten. Maar hoe overtuig je de baas ervan dat een erotisch schilderij een mooie aanschaf is?

De door Maurice Mentjens vormgegeven Beatrixkamer van DSM.

Catharien Romijn weet hoe het voelt als de omgeving waarin je werkt drastisch verandert. Zo drastisch dat je je afvraagt of je er nog wel wílt werken. Het overkwam haar toen de krant waar zij journalist was, het Limburgs Dagblad, moest fuseren met De Limburger. Redacties werden ingekrompen of kregen een andere opzet.

Catharien Romijn (56) is kunsthistorica en had net, vertelt ze dertien jaar later in het bedrijfsrestaurant van het DSM-hoofdkantoor in Heerlen, een artikel geschreven over de DSM Kunstcollectie. Die collectie werd ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het bedrijf getoond aan het publiek.

„Ik schreef dat ik de collectie soms wat oubollig vond”, herinnert ze zich. Dat woord heeft ze niet gebruikt, blijkt een paar dagen later als ze het artikel terug heeft gevonden en opstuurt. Maar dit stond er wel: „De kunst is niet altijd van gelijkwaardige kwaliteit, niet altijd even baanbrekend, origineel of inventief.”

Poeh.

En toen werd ze dus gebeld of ze de man die die kunst de afgelopen jaren had verzameld en die nu met pensioen ging, wilde opvolgen. De collectie moest breder en internationaler, had de raad van bestuur besloten, al voordat zij dat artikel schreef trouwens, zeiden ze erbij. Ze aarzelde, natuurlijk. Dit was een heel ander soort baan dan wat ze tot nu toe had gedaan. Maar het aanbod kwam wel precies op het juiste moment.

Nu hangen aan de muren rond het trappenhuis van DSM opvallende werken van kunstenaars, van wie een aantal pas doorbrak nadat Catharien Romijn hun werk al had aangekocht. Soms zijn ze verontrustend, zoals het onnatuurlijk perfecte bos van Ruud van Empel, waar een boosaardig geheim lijkt te sluimeren. Of ze zijn onverbloemd erotisch, zoals het vrolijke, maar ook bevreemdende zelfportret van Tanja Ritterbex in haar slaapkamer, This is where the magic happens.

Zeker is dat de tijd van het eerst aangeschafte werk voor de collectie, een gebrandschilderd raam van het Limburgse mijnlandschap dat in 1927 werd ‘aangeboden aan de directie door hare beambten’, definitief voorbij is. Dankzij dat werk is de DSM Kunstcollectie met 1.100 werken niet de grootste bedrijfscollectie van Nederland, maar naar eigen zeggen wel de oudste.

Hoe je iedereen meekrijgt

Dus dat is het onderwerp van gesprek vandaag: hoe haal je de top van een bedrijf over om aankopen te doen die nou niet direct zachtaardig zijn te noemen en die geld kosten dat ook op een andere manier in het bedrijf kan worden gestopt. En, bijna dezelfde vraag: hoe krijg je de rest van het personeel mee in die aankopen, in een regio waar het met de werkgelegenheid nou niet bepaald florissant is gesteld. Sterker, nog dit najaar kondigde DSM aan dat het zo’n duizend banen gaat schrappen (van vijfentwintigduizend in totaal, waarvan ruim vierduizend in Nederland).

De kunstcollectie van DSM, heet het officieel, „legt inhoudelijke accenten op innovatie, duurzaamheid en snelgroeiende economieën”. Dat lijkt aan te sluiten bij de activiteiten van het voormalige staatsmijnbouwbedrijf (Dutch State Mines), tegenwoordig een internationaal chemieconcern.

En ja, zo werkt het ook, zegt Catharien Romijn. Als ze een kunstenaar een tijdje heeft gevolgd, en denkt dat hij interessant is, schrijft ze een notitie waarin ze het bedrijf met argumenten probeert te overtuigen een werk te kopen. „Dat heb ik overgehouden van mijn vorige werk. Ik kijk, ik schrijf, en zo kom ik erachter waarom nou juist dít werk aantrekkelijk is.”

Een voorbeeld, de fotocollages van Ruud van Empel. Die zijn „geheimzinnig”, „beklemmend” en „kruipen onder je huid”, schreef ze in de notitie voor de mogelijke aankoop. Maar ook: „Zijn composities blinken uit door perfectie, zijn onderwerp is de maakbare wereld waarin alles mogelijk is.” Zo’n soort zinnetje, zou je kunnen zeggen, legt een verband tussen het werk van de kunstenaar en dat van het bedrijf. Tegelijk: „Kunst overleeft strategieën en managers. Uiteindelijk gaat het om de waarachtigheid van het werk. Dus dat is waar ik naar op zoek ben.”

‘Indiaas werk!’ roep ik dan

Catharien Romijn praat aan één stuk door, je begrijpt als je haar hoort hoe het haar lukt haar bazen te enthousiasmeren voor de kunst die ze wil aanschaffen. Als ze het heeft over het ‘overleven van strategieën en managers’ maakt ze er meteen een grapje van: „Dat is dus ook duurzaamheid hè, de kern van onze strategie.” Of, wanneer we door een zaal lopen met een werk van Margriet Smulders in felle, Indiase kleuren: „We zijn ook actief in India, ‘Indiaas werk!’ roep ik dan bij een rondleiding.”

Natuurlijk kent ze ook de standaardargumenten voor bedrijfscollecties, waarvan Nederland er waarschijnlijk zo’n honderd telt: goed voor het imago, bevordert het werkklimaat, teken van maatschappelijke betrokkenheid, interessant voor buitenlandse bezoekers. Maar die gebruikt ze liever niet te veel. Wat zij wil laten zien is „hoe kunst zoekt naar wat er aan de hand is in de maatschappij, terwijl dat misschien nog niet direct zichtbaar is”. En dan weer: „Dat lijkt dus op wat de onderzoekers bij dit bedrijf ook doen.”

Hoe dan ook, het helpt dat kunstenaars doorbreken nadat zij ze heeft aangeschaft. Eén: dan worden hun werken opeens meer waard, terwijl de aanschafprijs meeviel. Twee: het bewijst haar professionaliteit.

Neem de Beatrixkamer, de ontvangstkamer van DSM op de bovenste verdieping die in 2006 opnieuw werd ingericht door Maurice Mentjens. Hij plakte de kamer van onder tot boven af met behang dat duizendenmalen uitvergrote gisten, enzymen en bacteriën voorstelt en bedekte het plafond met spiegels. Als je er binnenstapt, lijkt het vertrek je op te tillen en te laten zweven, een hallucinerend gevoel dat nogal verschilt van de ruimtelijke beleving in de gemiddelde vergaderzaal.

Maar „daar kon dus niet iedereen zich meteen in vinden”. In 2007 won Mentjens de Dutch Designprijs voor de inrichting van de Beatrixkamer. Catharien Romijn: „Vanaf dat moment werd het gemakkelijker voor mij.”

Een veiling voor het personeel

En wat doet ze om de mensen op de verdiepingen onder die van de raad van bestuur enthousiast te krijgen? Om te beginnen: iedereen die wil, kan een werk op zijn kamer krijgen. „Dan gaan we samen naar het depot en zoeken we wat uit.” Er is ook elk jaar een personeelsveiling, waar mensen kunst kunnen kopen om mee naar huis te nemen. „Dat zorgt allemaal voor binding.”

Maar goed, neem vanmorgen nog. Ze liep door het trappenhuis en hoorde besmuikt gelach. Stonden er een paar te grinniken voor This is where the magic happens van Tanja Ritterbex, dat er nog maar enkele dagen hangt. „Zal ik het uitleggen, riep ik naar beneden.” En dat probeert ze dan, „want kunst moet je leren lezen, dus dan kan wat uitleg helpen”.

Dus? „Meestal lukt het, soms niet. Je kunt niet voor alles iedereen meekrijgen, heb ik geleerd.”