Bouterse houdt vol dat hij niet bij de moordpartij in 1982 was

De Surinaamse president heeft geen andere keus dan ontkennen. Zo beschermt hij zich in strafzaak.

Foto AFP

De Surinaamse president Desi Bouterse houdt vast aan eerdere verklaringen dat hij op 8 december 1982 niet aanwezig was in Fort Zeelandia, toen daar vijftien tegenstanders van zijn toenmalige militaire regime werden doodgeschoten. Dat heeft nabestaande Sandew Hira, gisteren in Paramaribo gezegd op een persconferentie over een zes durend interview met Bouterse in het weekend van 28 november. „Hij zei 'ik was er niet bij, daarom weet ik niet wat daar is gebeurd”, aldus Hira. „Maar ik geloof hem niet.”

Het interview is deel van een omstreden project van Hira, broer van de op 8 december 1982 omgekomen advocaat John Baboeram, voor ‘waarheidsvinding’ buiten justitie om.

Bouterses verklaring komt vrijwel overeen met die van 2001 bij de rechter-commissaris. Dat was ter voorbereiding van het in 2007 begonnen Decembermoordenproces, dat in 2012 na een omstreden amnestiewet door de Krijgsraad werd opgeschort. Juist vorige week beval het Surinaamse Hof van Justitie, na verzoek van nabestaanden, het Openbaar Ministerie de vervolging van hoofdverdachte Bouterse en anderen te hervatten.

Nabestaanden niet verrast

Diverse getuigen verklaarden in het Decembermoorderproces juist dat Bouterse wel bij de executies was. Nabestaanden zijn niet verrast door Bouterses verklaring. „Wij hadden dit verwacht”, zegt hun juridisch adviseur Gaetano Best, die vorig jaar namens de nabestaande ook juridische stappen bij het Inter-Amerikaanse Mensenrechtenhof voorbereidde. „Indien Bouterse iets anders had verklaard dan destijds bij de rechter-commissaris, dan kan de Surinaamse rechter al zijn verklaringen als leugenachtig aanmerken en kan dat als bewijs tegen hem gebruikt worden.”

Hira heeft de dvd’s van het gesprek met Bouterse overhandigd aan de Surinaamse parlementsvoorzitter. De Surinaamse tv zendt het uit.

Hira wil het onderzoek komend jaar voortzetten en dan eind volgend jaar met eindrapport en aanbevelingen komen. Daarbij moeten alle gewelddaden sinds de coup van Bouterse in 1980, waaronder de Binnenlandse Oorlog met het Junglecommando van Brunswijk, aan de orde komen. „Maar waarheidsvinding is een essentieel element in amnestie en in verzoening en dialoog”, aldus Hira. Hij wilde zich niet uitspreken over het jongste oordeel van het Hof van Justitie over hervatting van het proces, maar zei wel dat ieder die een oplossing via de rechter wil uit is op „conflict”.

Advocaat van nabestaanden Hugo Essed spreekt van een „klucht”: het gesprek heeft „nul komma nul aan de waarheid toegevoegd”.

Bouterse zei volgens Hira opnieuw dat de zestien op 7 december 1982 opgepakte personen (alleen vakbondsleider Fred Derby werd vrijgelaten) coupplannen hadden – waar overigens nooit historisch bewijs voor is gevonden. In Fort Zeelandia is volgens Bouterse, destijds bevelhebber en feitelijk machthebber in Suriname, overlegd wat te doen. „Bouterse zei dat hij voorstelde de [gearresteerde] mensen naar het buitenland te brengen”, aldus Hira. Hij zei volgens Hira ook dat hij „tegenstander van executies” was geweest. Bouterse zou toen om uitstel van een dag hebben gevraagd en zijn vertrokken naar zijn vriendin – wat hij ook al eerder beweerde. De commandanten Horb en Bhagwandas, beiden intussen overleden, bleven met andere militairen achter. Daarop zouden volgens Bouterse de vijftien doden zijn gevallen. Bouterse vertelde aan Hira een rapport van Bhagwandas te hebben gekregen dat de vijftien „op de vlucht waren doodgeschoten”. Bouterse geloofde dat niet en vroeg, aldus zijn verklaring aan Hira, een onderzoek van de procureur-generaal. Diens rapport is nooit boven water gekomen.