‘Verbod op kiloknallers levert de boer niks op’

Dat zegt het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel.

Foto

De aanleiding

Supermarkten moeten stoppen met kiloknallers, vindt Tweede Kamerlid Sjoera Dikkers van de PvdA. Voor het begrotingsdebat over landbouw, vorige week, kwam ze met een plan dat moet voorkomen dat supermarkten vlees onder de kostprijs verkopen.

Het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel liet daarop in een persbericht weten tegenstander te zijn van ingrijpen door de overheid in de vrije marktwerking. „Supermarkten moeten vrij zijn hun eigen winkelprijs vast te stellen voor hun eigen klanten. Aanbiedingen horen daar af en toe ook bij.”

Verder is het PvdA-plan een „onzinnig” voorstel, aldus het CBL: „Met het voorstel verdient de boer geen cent extra en krijgt het varken of de kip geen millimeter meer dierwelzijn.”

Wij checken of het klopt dat een boer „geen cent extra” verdient als supermarkten geen kiloknallers meer mogen aanbieden.

Waar is het op gebaseerd?

Het CBL stelt in het persbericht dat de lage prijzen die boeren voor hun vlees krijgen, worden veroorzaakt door overaanbod en teruglopende afzet. Een verbod op kiloknallers lost dat probleem niet op, redeneert het CBL. Aangezien 70 á 80 procent van al het Nederlandse vlees wordt geëxporteerd, worden de prijzen voor boeren Europees bepaald. „Daar hebben Nederlandse supermarkten geen invloed op.”

Bovendien kopen supermarkten niet rechtstreeks in bij boeren, voegt een CBL-woordvoerder daar aan toe. „Boeren doen zaken met slachterijen en vleesverwerkende bedrijven en die betalen gewoon de marktprijs. Een hogere consumentenprijs betekent niet automatisch dat de boer meer krijgt.”

En, klopt het?

Supermarkten werken over het algemeen met langetermijncontracten. Zij maken afspraken over de inkoopprijs, maar bepalen zelf de verkoopprijs. Er bestaat dus geen direct verband tussen de inkoopprijzen en de stuntprijzen.

Elke supermarkt wil de goedkoopste zijn om klanten te trekken en koopt dus zo goedkoop mogelijk in, zegt Jack Peerlings. Hij is universitair hoofddocent agrarische economie aan de Wageningen Universiteit. „De vleessector is geen florissante business”, zegt hij. „De prijzen zijn laag en staan altijd onder druk. Er is veel concurrentie.”

De vleesverpakkers en vleeswarenproducenten berekenen de lage prijzen door aan de slachterijen. Zij rekenen de lage prijs op hun beurt weer door aan de boeren. Die boeren kunnen de lage prijs op niemand afwentelen; over de prijs die zij moeten betalen voor hun voer valt niet te onderhandelen, omdat die prijs is gebaseerd op de wereldwijde grondstoffenmarkt.

Peerlings zegt dat het afschaffen van de kiloknallers in Nederland maar een „zeer beperkt” effect zal hebben op de prijs die een boer voor een kilo vlees krijgt. Hij sluit zich aan bij wat het CBL zegt: dat het grootste deel van het vlees naar het buitenland gaat, betekent dat de kiloprijs voornamelijk Europees of zelfs op de wereldmarkt bepaald wordt. Van al het Nederlandse vlees blijft 20 á 30 procent op de binnenlandse markt, maar lang niet alle onderdelen van die dieren eindigen als kiloknaller. Dat maakt het effect van een verbod op stuntprijzen op de opbrengst van de boeren nog geringer.

Conclusie

Het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel zegt dat een boer door het afschaffen van de kiloknallers „geen cent extra” verdient. Aangezien het verdwijnen van de kiloknaller waarschijnlijk maar een zeer beperkt effect zal hebben op de prijs die boeren ervoor krijgen, beoordelen wij deze stelling als grotendeels waar.

Barbara Rijlaarsdam