Over de verloren slag van Rusland

De Wit-Russische schrijfster Svetlana Alexijevitsj sprak gisteren bijgaande dankrede uit voor de Nobelprijs Literatuur 2015.

Foto ANDREI LIANKEVICH/EPA, bewerking NRC Fotodienst

Ik sta niet alleen op dit podium… Ik heb stemmen om me heen, honderden stemmen. Die heb ik altijd bij me, sinds mijn jeugd. Ik woonde op het platteland. Als kinderen speelden we graag buiten, maar tegen de avond werden we als door een magneet aangetrokken tot de bankjes voor de huisjes, waar de afgesloofde dorpsvrouwen zaten. Geen van hen had nog een man, vader of broer. In ons dorp herinner ik me geen mannen na de oorlog. In de Tweede Wereldoorlog sneuvelde een kwart van de Wit-Russen aan het front of bij de partizanen. Onze kinderwereld na de oorlog was een vrouwenwereld. Ik herinner me vooral dat vrouwen niet over de dood praatten, maar over de liefde. Ze vertelden hoe ze afscheid hadden genomen van hun geliefden, hoe ze op hen hadden gewacht en nog steeds wachtten. Nog steeds, na jaren: ‘Al komt hij thuis zonder armen en benen, dan draag ik hem wel.’ Zonder armen en benen… Ik geloof dat ik sinds mijn jeugd weet wat liefde is.

Flaubert zei van zichzelf dat hij een mens van de pen was, zo kan ik mezelf een mens van het oor noemen. Als ik op straat woorden, zinnen en uitroepen opvang, denk ik altijd: hoeveel romans verdwijnen er spoorloos in de tijd en het duister! Het lukt ons niet het gespreksdeel van het mensenleven voor de literatuur te bevechten. We waarderen het niet, het verbaast en verrukt ons niet. Mij fascineert het, mij heeft het in zijn ban. Ik houd van de manier waarop iemand praat, van de afzonderlijke menselijke stem. Dat is mijn grootste liefde en passie.

De weg naar dit podium was lang, bijna veertig jaar – van mens naar mens, stem naar stem. Ik kan niet zeggen dat ik die weg altijd aankon. Vaak heeft de mens me geschokt en verschrikt. Ik ondervond vervoering en weerzin. Soms wilde ik het gehoorde vergeten en terugkeren in mijn vroegere onwetendheid. Maar ik heb ook meer dan eens willen huilen van blijdschap bij het zien van het schone in de mens.

Ik woonde in een land waar ons van kinds af werd geleerd te sterven. De dood werd ons onderwezen. We leerden dat de mens bestaat om zich te geven, op te branden, zich te offeren. We leerden de mens met een geweer lief te hebben. Was ik in een ander land opgegroeid, dan had ik deze weg niet kunnen gaan. Het kwaad is meedogenloos, je moet ertegen ingeënt zijn. We groeiden op tussen beulen en slachtoffers. Onze ouders leefden al in angst en vertelden niet alles, meestal niets zelfs, maar ook onze levenslucht was met het kwaad vergiftigd. Het kwaad loerde voortdurend op ons.

Ik heb vijf boeken geschreven, die voor mij samen één boek vormen. Over de geschiedenis van een utopie.

Twintig jaar geleden namen we met vloeken en tranen afscheid van het Rode rijk. Tegenwoordig kunnen we de recente geschiedenis al bezien als een historisch experiment. Dat is belangrijk, want de discussies over het socialisme zijn nog niet bedaard. Er is een nieuwe generatie opgegroeid, met een nieuw wereldbeeld, maar veel jonge mensen lezen weer Marx en Lenin. In Russische steden worden Stalinmusea geopend en gedenktekens voor hem geplaatst.

Het Rode rijk bestaat niet meer, de Rode mens nog wel. Die duurt voort.

Mijn onlangs gestorven vader bleef tot het eind een gelovig communist. Hij heeft zijn partijkaart trouw bewaard. Ik heb nooit het woord sovok (Sovjetsukkel) durven uitspreken, want dat zou ook slaan op mijn vader, op onze naaste bekenden en vrienden. Ze komen allen uit dezelfde koker, uit het socialisme. Onder hen zijn veel idealisten. Romantici. Tegenwoordig heten ze anders: romantici van de slavernij. Slaven van de utopie. Ik denk dat ze allemaal een ander leven hadden kunnen leiden en toch leidden ze Sovjetlevens.

Waarom? Naar dat antwoord heb ik lang gezocht. Ik heb het enorme land afgereisd dat kort geleden nog de USSR heette en nam duizenden bandjes op. Het socialisme was gewoon ons leven. Kruimel voor kruimel heb ik de geschiedenis van ons ‘dagelijkse’, ‘interne’ socialisme bijeengesprokkeld. Hoe dat in een mensenziel leefde. Ik werd aangetrokken door die kleine eenheid, een mens… door één individu. Eigenlijk gebeurt daar alles.

Mij interesseert de kleine mens. De kleine grote mens, zou ik willen zeggen, want leed vergroot de mens. In mijn boeken vertelt die mens zijn kleine geschiedenis en daarmee ook de grote. Wat ons vroeger en nu overkomen is, is nog niet verwerkt, moet daarom worden uitgesproken. Laat het eerst worden uitgesproken. Dat durven we niet zolang we nog niet met ons verleden hebben afgerekend. In Dostojevskis Demonen zegt Sjatov tegen Stavrogin aan het begin van het gesprek: ‘Wij zijn twee schepsels die elkaar in de oneindigheid ontmoet hebben… voor de laatste keer in de wereld. Laat je toon varen en sla een menselijke aan! Spreek eindelijk met een menselijke stem.’

Zo ongeveer beginnen mijn gesprekken met mijn helden. Ze spreken natuurlijk vanuit hun eigen tijd, niet uit het nergens. Je dringt niet makkelijk door tot de mensenziel. Die is vervuild met bijgeloof van de eeuw, met vooroordelen en teleurstellingen. Met televisie en kranten.

Een paar aantekeningen uit mijn dagboeken, om te laten zien hoe de tijd zich bewogen heeft...hoe de gedachte afstierf... hoe ik het spoor gevolgd heb.

De jaren 1980-1985. Ik schrijf een boek over de oorlog… Waarom over de oorlog? Omdat we oorlogsmensen zijn – we voerden oorlog of bereidden ons voor op de volgende. Op de keper beschouwd, dachten we allen als in oorlogstijd. Thuis en op straat. Omdat een mensenleven bij ons weinig kost.

Ik weet zeker dat er nooit meer zulke meisjes komen als die oorlogsmeisjes uit ’41. Dat was het hoogtepunt van de Rode gedachte, hoger dan de revolutie en Lenin. Hun Overwinning overstemt nog steeds de Goelag. Ik houd zielsveel van die meisjes. Maar je moest niet met ze over Stalin praten, niet zeggen dat er na de oorlog treinen vol met overwinnaars naar Siberië reden, met de grootste helden. De gewone mochten naar huis en zwegen daar.

Ik hoorde een keer: ‘We waren alleen vrij in de oorlog. Aan het front.’

Leed is ons grootste kapitaal. Geen olie, geen gas, maar leed. Daaruit kunnen we blijven putten. Ik vraag me steeds af waarom ons leed niet in vrijheid kon worden omgezet. Was alles vergeefs? Tsjaädajev had gelijk: Rusland is een land zonder geheugen, een ruimte van totale amnesie, een maagdelijk bewustzijn voor kritiek en beschouwing.

Het jaar 1989. Ik zit in Kabul. Ik wou niet meer over oorlog schrijven. Maar hier is het echt oorlog. In de Pravda staat: ‘We helpen het Afghaanse broedervolk het socialisme op te bouwen.’ Overal oorlogsmensen en oorlogstuig. Het is oorlogstijd. Gisteren mocht ik niet mee naar de strijd: ‘Blijf in uw hotel, dame. Later moeten we voor u opdraaien.’

Ik zit in het hotel en denk: er zit iets immoreels in het bespieden van andermans moed en risico’s. Ik zit hier al twee weken en kan me niet losmaken van het gevoel dat oorlog een product is van de mannelijke natuur, die voor mij onvatbaar is. Maar de alledaagse kant van de oorlog is grandioos. Ik ontdek dat wapens mooi zijn, machinegeweren, mijnen en tanks. De mens heeft diep nagedacht over hoe hij het best zijn medemens kan afmaken. De eeuwige discussie tussen waarheid en schoonheid. Ze lieten me een nieuwe Italiaanse landmijn zien. Mijn vrouwenreactie was: ‘Mooi. Maar waarom zo mooi?’ Ik kreeg militair exact uitgelegd dat als iemand zo… onder die hoek… op zo’n mijn liep, er een half emmertje vlees van hem overbleef. Over iets abnormaals wordt hier gesproken alsof het normaal en vanzelfsprekend is. Oorlog is oorlog… Niemand wordt gek van het beeld dat iemand op de grond niet is omgebracht door de elementen of het lot, maar door zijn medemens.

Ik zag hoe onze Grad-raket een dorp in een omgeploegde akker had veranderd. Ik liep over een Afghaans kerkhof dat zo lang was als een heel dorp. Ergens halverwege schreeuwde een oude Afghaanse vrouw. Ik herinnerde me hoe een zinken doodskist een huis in een dorp bij Minsk werd binnengedragen en hoe de moeder had gegild. Geen menselijk gekrijs, ook geen dierlijk… Net zo’n geluid als op het Kaboelse kerkhof…

Ik geef toe dat ik niet meteen bevrijd was. Ik was eerlijk tegenover mijn protagonisten en ze geloofden me. Ieder van ons had zijn eigen weg naar de bevrijding. Tot Afghanistan geloofde ik aan het socialisme met een menselijk gezicht. Toen ik terugkwam was ik van alle illusies bevrijd. ‘Het spijt me, vader,’ zei ik bij ons weerzien, ‘je hebt me opgevoed met het geloof in de communistische idealen, maar ik hoefde maar één keer te zien hoe recente Sovjetscholieren, aan wie mama en jij les gaven (mijn ouders waren dorpsonderwijzers), in het buitenland onbekende mensen doodden, of al je woorden verkeerden in stof. We zijn moordenaars, papa, snap je!?’ Mijn vader barstte in tranen uit.

Ik vroeg me af wat voor boek ik over de oorlog wilde schrijven. Ik wilde schrijven over iemand die niet schiet, niet op zijn medemens kan schieten, voor wie de gedachte aan oorlog alleen al een kwelling was. Waar was hij? Die mens heb ik niet ontmoet.

De jaren 1990-1997. Interessant genoeg kan de Russische literatuur als enige vertellen over een ooit in een enorm land uitgevoerd uniek experiment. Mij wordt vaak gevraagd: waarom schrijft u steeds over het tragische? Omdat we zo leven. Al wonen we nu in verschillende landen, de Rode mens is nog overal. Hij is nog uit dat leven, met die herinneringen.

Het heeft lang geduurd voordat ik over Tsjernobyl kon schrijven. Ik wist niet hoe ik erover moest schrijven, met welk instrument en met welke benadering. De naam van mijn kleine, in Europa verloren land, waarvan de wereld vroeger nauwelijks had gehoord, klonk in alle talen, en wij Wit-Russen werden het volk van Tsjernobyl. We kwamen als eersten in aanraking met het onbekende. Het werd duidelijk, dat naast communistische, nationale en nieuwe religieuze uitdagingen ons nog heftigere, totale uitdagingen wachtten, die voorlopig nog onzichtbaar waren. Na Tsjernobyl werd de sluier enigszins opgelicht.

Je kon straling niet zien, aanraken of ruiken. De wereld om ons heen was zowel vertrouwd als onbekend. Aangekomen in de zone, werd me snel meegedeeld: geen bloemen plukken, niet op het gras gaan zitten, geen putwater drinken. De dood school overal, maar was van een andere soort. In een nieuwe vermomming, een onbekende gedaante. Oude mensen die de oorlog overleefd hadden, werden opnieuw geëvacueerd. Ze keken naar de hemel: ‘De zon schijnt. Geen wolkje, geen gas, geen geschiet. Dit is toch geen oorlog? Toch moeten we vluchteling worden.’ ’s Ochtends greep iedereen gretig de krant en legde hem meteen weer teleurgesteld terug – er waren geen spionnen gevonden. Er stond niets over volksvijanden. Die wereld zonder spionnen en volksvijanden was ook onbekend. Er begon iets nieuws. In het spoor van Afghanistan kwam ook Tsjernobyl ons bevrijden.

Ik sluit mijn dagboek.

Wat gebeurde er met ons bij de val van het Rijk? Vroeger was de wereld verdeeld in beulen en slachtoffers – de Goelag, in broeders en zusters – de oorlog, het electoraat – technologie en de huidige wereld. Vroeger was onze wereld nog verdeeld in veroordeelden en veroordeelaars, tegenwoordig in slavofielen en westerlingen, landverraders en patriotten. En in koopkrachtigen en armen. Dat laatste lijkt de hardste beproeving na het socialisme, niet zo lang geleden was iedereen nog gelijk. Daarom kon de Rode mens ook niet het rijk van de vrijheid binnen, waarvan hij aan zijn keukentafel droomde. Van Ruslands opdeling pikte hij geen kruimel mee, voor hem bleef niets over. Hij was vernederd en beroofd. Agressief en gevaarlijk.

Het volgende hoorde ik op mijn reizen door Rusland: ‘Een Rus wil eigenlijk niet rijk zijn, daar is hij zelfs bang voor. Wat hij wil? Eén ding: dat een ander niet rijk wordt. Niet rijker dan hij.’

Ik durf te zeggen dat we onze kans van de jaren negentig hebben gemist. Bij de keus tussen een sterk land en een waardig land, waar het goed leven is, werd gekozen voor het sterke. Het is weer de tijd van de kracht. Russen vechten tegen Oekraïners. Tegen hun broeders. Mijn vader was Wit-Rus, mijn moeder Oekraïens. Zo is het bij velen. Russische vliegtuigen bombarderen Syrië.

Een tijd van hoop is vervangen door een tijd van vrees. De tijd loopt achterwaarts. Het is tweedehands tijd…