Column

Flatsie

Afgelopen weekend stond er in de Volkskrant een groot interview met de Amerikaanse rockster Chrissie Hynde. Daarin haalde ze een uitspraak aan die heel Amerika op zijn kop had gezet. Op haar 21e was ze verkracht, maar, zo zei Hynde, ze had er zelf om gevraagd, want ze zag er verkrachtbaar uit die avond. Vrouwen konden volgens haar beter geen rokken en hakken dragen, omdat je daardoor 1. de aandacht van mannen trekt, en 2. in zo’n outfit minder hard kan wegrennen dan wanneer je een sportspak met hardloopschoenen draagt (maar in dat geval hoef je niet eens weg te rennen, win-win). Dat Hynde op de desbetreffende avond ook nog eens zo shitfaced van alcohol en drugs was dat ze zelfs op de runnerblades van Oscar Pistorius nog niet had kunnen wegkomen, meldde ze terloops. Het bleef de schuld van de kleren, niet van de toestand.

Wat ze zei deed me denken aan een nachtelijk avontuur, kort geleden. Ik droeg gymschoenen, maar ook een rokje, en brak er een beetje mijn hoofd over of ik nu veilig was of niet. Om een stuk af te snijden koos ik een route door een wat minder goed belicht deel van de stad en sloeg een steegje in.

Na enkele meters hoorde ik opeens zacht ge-‘psst’ achter me, gevolgd door „Hé skatje, skatje, swa, hoe is het.” Ik keek om en zag een blanke man met korte blonde dreadlocks die nogal Jamaicaans gekleed was. Zonder iets te zeggen liep ik door. Ik werd een beetje bang, ook al ken ik voldoende vechtsport om een middelgrote terrorist te kunnen ontwapenen met een selfiestick. Maar de steeg was nog lang niet ten einde en het ge-pssst achter me nam toe. Ik dacht aan de zelfverdedigingslessen uit mijn studententijd. Ze adviseerden je om bij seksuele dreiging zo onsexy mogelijk te doen. Laat een boer, praat over menstruatie, en: flatuleer erop los. Laat je kringspier zijn buurvrouw, de vagina, maar beschermen.

Mijn darmen waren al een beetje aan het kronkelen. En na de zoveelste ‘pssst’ spande ik mijn onderbuik samen. Er volgde een keiharde flats. De man achter me sloeg een kreet waardoor ik het echt niet mee hield: flatsen en lachstuipen wisselden elkaar in razend tempo af (ik weet nu ook waar ‘het uitgieren’ vandaan komt).

De man: „Waarom moet jij zo lachen swa? Is het omdat jij van die flatsies laat?”

Toen ik weer een beetje was bijgekomen, liepen we een soort van samen de steeg uit. „Heej”, zei hij, terwijl ik nog wat nawindjes liet, „doe me je nummer dan.” Gympschoenen en flatulentie ten spijt, hij wilde nog steeds. Vrolijk liep ik de duisternis in.