Column

Sjinkie

Mijn puntlaarzen zijn uit. Ze staan buiten op de stoep van een boeddhistische tempel in de wijk Akasaka. Buiten raast het ochtendverkeer van Tokio voorbij. Binnen bidt een man op zijn knieën met gefluister tot zijn hogere macht. Ik zit naast hem en denk aan shorttracker Sjinkie Knegt.

Een dag eerder zag ik de Hollandse schaatser in Nagoya als eerste over de finish glijden op de 1.500 meter. Voor het eerst in zijn leven won Knegt goud tijdens een wereldbeker.

Sjinkie, die naam heeft hij te danken aan zijn Chinese opa. De Japanse stadionspeaker liet zich de naam lekker smaken. Sjinkie was ongenaakbaar, in de heats, de halve finale en de finale. Hij won steeds afgetekend. Een fotofinish was niet nodig.

Sjinkie was naar Japan gekomen voor goud. De oerkreet net over de finishlijn was veelzeggend. Maar een paar minuten later stond het masker van onverstoorbaarheid alweer op zijn neus.

De winnaar wilde maar één ding: nog meer winnen.

De biddende man in de tempel klapt hard in zijn handen, het geluid weerkaatst in de lage ruimte. Voor zijn knieën staat een dienblad met kleurige koekjes, een flesje water en twee ongepelde eieren. Hij komt overeind en loopt met het blad de tempel uit.

Ik ga ook naar buiten, trek mijn laarzen aan en ben nieuwsgierig naar wat de man gaat doen. Hij schuifelt naar een altaar, legt twee gekookte eieren op een tafeltje en vouwt zijn handen.

Ik denk weer aan Sjinkie.

Aan zijn vlasbaardje. Aan zijn zelfgemaakte klok om de kromming van zijn schaatsen te meten. Aan het geluid van het slijpen van de messen in de catacomben van het schaatsstadion. Stadion? Het is een reuzenzwembad waar een bak met ijs overheen is gelegd.

„Werkijs, prima voor mij”, aldus Sjinkie op de dag dat hij goud won.

Inmiddels heeft de shorttracker al een retourvlucht naar Holland genomen. Met nog een gouden medaille in de koffer, voor de relay. Sjinkie vliegt over zijn geboortegrond, het platteland waar tientallen ganzen met elkaar in V-vorm voor een reis naar een warmer oord kiezen.

De man laat de eitjes achter op het altaar. Hij buigt naar zijn ontbijt dat hij voor de hogere macht achterlaat. Een zondags offer.

Als hij mij ziet staan, buigt de man naar mij. Ik buig onhandig terug – zoals ik in Japan uit pure onhandigheid voortdurend buig – en denk weer aan Sjinkie. Aan zijn houding als hij laag door een bocht schiet. Zo diep zitten is eigenlijk ook een soort buiging.

Een dankbare buiging van Sjinkie voor het werkijs waarop hij twee keer goud won.