Plots een giraffe in Kellendonks biografie

Wat een biografie over Frans Kellendonk moest worden werd een vrolijke roman. Maar weergaloos is vooral het nu verzamelde werk van de schrijver zelf.

Enkele jaren ging schrijver en recensent Arie Storm (1963) door het leven als de biograaf van Frans Kellendonk (1951-1990), maar verder dan terugkerende mededelingen dat hij niet van plan was een normale biografie te schrijven, kwam Storm niet. Aan het begin van dit Kellendonkjaar (25 jaar dood) werd Jaap Goedegebuure benoemd tot ‘gewoon’ biograaf: de beheerders van de nalatenschap hadden hun vertrouwen in het project van Storm verloren. Goedegebuure publiceerde samen met Oek de Jong een bejubelde brievenuitgave van Kellendonk en nu (met Rick Honings) een vernieuwd en aangevuld Verzameld werk.

Maar ineens is er ook Het laatste testament van Frans Kellendonk, door Arie Storm. Een gewone biografie is dit inderdaad niet en zelfs geen ongewone biografie: het is een korte roman waarin de dode Frans Kellendonk aan het woord is met een tekst die hij ‘zijn biograaf’ heeft ingefluisterd. Die biograaf is uiteraard Arie Storm. ‘Ik houd van mijn biograaf’, laat hij Kellendonk zeggen, ‘zo gereformeerd als hij is, zo getormenteerd, zo ijdel. Zo neurotisch, zo tobberig, zo enthousiast, zo gek. En ik heb een hekel aan mijn andere biograaf, mijn tweede.’ Er volgen nog wat plaagstootjes richting Goedegebuure en later geeft de fictieve Kellendonk ook Adriaan van Dis de volle laag – bij Storm stuit je weleens op een afrekening in het literaire milieu.

We zitten echt in een fictieverhaal

Het laatste testament van Frans Kellendonk is meer een boek van Arie Storm dan een boek over Kellendonk. Er gaat nogal wat ruimte op aan de logistieke beslommeringen van de biograaf: die ene keer dat hij Kellendonk een boek van Saul Bellow zag kopen, het afluisteren van een oud interview en een tocht naar de woning van Kellendonk in de Bethaniënstraat, alwaar plotseling een giraffe opduikt – al was het maar om duidelijk te maken dat we ons in het domein van de fictie bevinden. Het geheel is vrolijk en toegankelijk, met een mystieke draai die Storm de laatste tijd vaker aan zijn boeken geeft.

De roman laat zien waarom Storm zo van Kellendonk houdt – hij hangt zijn eigen schrijverschap deels op aan zijn liefde voor Kellendonk en verdedigt hem met verve in de affaire rond Mystiek lichaam, de roman die in 1986 door Volkskrant-criticus en D66-politicus Aad Nuis als antisemitisch werd weggezet.

Tussen de bedrijven door geeft Storm een prettig overzicht van leven en werk van Kellendonk, waarbij je wel begrijpt waarom die biografie er niet kwam: de wens tot vereenzelviging en annexatie drukt het verlangen weg om de waarheid over Kellendonk te kennen. Storm lijkt Kellendonk vooral te willen verdedigen – en dat zou voor een biografie een te smalle basis zijn geweest.

Ook Kellendonk zelf was vaak in de verdediging, valt op in de essays in het nu verschenen (helaas niet gebonden maar als geplakte hardback) Verzameld werk. Tegen Nuis, natuurlijk, tegen schrijver en journalist Jeroen Brouwers en tegen het onbegrip waar zijn religieuze belangstelling op stuitte in het uitzinnig seculiere Amsterdam van de jaren zeventig en tachtig. Veel essays zijn voor het eerst gebundeld: zo’n tweehonderd pagina’s in totaal. Er staan ook ruim honderd bladzijden interview met de schrijver in – wat een tikje overdreven is.

Eigenlijk wel logisch: die giraffe

Mooier is het vroege stukje over een meegaande giraffe (Storm laat het dier niet voor niets opdraven in zijn roman) en werkelijk schitterend zijn de drie Albert Verwey-lezingen die Kellendonk eind 1987 in Leiden hield. Ze gaan over Vondels Altaergeheimnissen en zijn een wonder van literaire essayistiek.

Vondel wordt door Kellendonk geïntroduceerd als ‘een dichter met een eigen park, een eigen museumpje, in elke stad van enige omvang een straat en zolang het duurt een bankbiljet, doch zonder lezers’. Dat Vondels bekering tot het katholicisme zijn naleven geen goed heeft gedaan zal Kellendonk bekend zijn voorgekomen. Maar binnen een paar bladzijden weet hij Vondel tot leven te brengen, lijfelijk haast: ‘Het gedicht lijkt nog het meest op een rund, met zijn vele magen, waarin dezelfde stof almaar fijner wordt verteerd.’ Verderop heet Vondel een ‘stofwisselingsdichter’ en verbindt Kellendonk op virtuoze wijze het nu zeer fysiek geworden gedicht met de transsubstantiatieleer. Langs een andere lijn heeft hij dan al uitgelegd dat Vondels metaforen op een veel fysiekere manier ‘waar’ waren dan de onze nu én benadrukt hij hoe je het Nieuwe Testament kunt zien als de vervulling van het Oude.

De dood van Jezus was een zondebokritueel, schrijft Kellendonk, maar een waarbij het slachtoffer medeplichtig is: ‘Jezus zoekt zijn ondergang willens en wetens, en is er dus even schuldig aan als zijn vervolgers.’ Op dat moment valt er geen eenduidige les meer te trekken uit het verhaal en dat is precies Kellendonks bedoeling, die tenslotte schrijft: ‘De religie van de hemel moet een religie van de aarde worden. Geloof is dan geen zekerheid, maar schepping.’ Daarmee heeft hij ons via (eigenlijk: door) Vondel, voedsel en verlosser toch weer naar de literatuur geleid. En blijkt de lezing een fundamentele oratio pro domo. Want de grote frustratie van Kellendonk is natuurlijk zijn eigen zondebokgeschiedenis: hoe hij met Mystiek lichaam het domein van de literatuur werd uitgesleurd. Na deze als Geschilderd eten gebundelde lezingen publiceerde Kellendonk geen boeken meer. Het is een weergaloos testament.