Opera als familie-uitje, het kan

De opera wordt opgevoerd als raamvertelling, met Hänsel und Gretel als (nogal enge) poppen. Foto Marco Borggreve

Vijftig jaar bestaat de Nationale Opera en voor het eerst doet het in de feestmaand wat elders al decennia normaal (en commercieel slim) is: het brengt een opera die ook als familie-uitje kan worden aangewend, de sprookjesopera Hänsel und Gretel.

Daartoe werd dé jonge Nederlandse operaregisseur van dit moment, Lotte de Beer, aangetrokken. Zij ensceneerde bij DNO eerder een kinder-Wagner (Ringetje), een streetwise Aida en Waiting for Miss Monroe – dus dan lijkt het een kleine stap naar Hans en Grietje.

Maar ook aan zo’n sprookje moet je een zinvolle draai weten te geven. De Beer, wier scherpe intelligentie en theaterinstinct succes hoe dan ook lijken te garanderen, koos voor een raamvertelling die zich nog het best als ‘ecclectikitsch’ laat omschrijven. We zien vijf (te fotogenieke) kindfiguranten met vuile voetjes spelen aan de voet van een vuilnisbelt, waar ze uit afval de poppetjes kleien die we dan ‘in het echt’ terugzien als Hans en Grietje. Zo wordt de opera zelf een kinderfantasie om te ontkomen aan de werkelijkheid. Waar Hans en Grietje in de slotscène zingen onder een reuzenkerstboom, zien we óók Unicef-achtige beelden van smoezelige kindergezichtjes bij een afvalkerstboom. Daarna volgt de collecte: met Hans en Grietje loopt het goed af, met veel andere kinderen niet.

Op zich is zulk oprecht empathisch engagement verfrissend. Ook het decor – de vuilnisbelt die snoepberg wordt, een berkenbos van vuilslierten – is fraai en inventief. Maar het concept zelf is té overdadig en hybride, en botst frequent met het wonderlijke amalgaam (ernst versus scherts, kind versus volwassen, lange lijn versus korte lijn) dat Hänsel und Gretel zelf al is.

Grootste probleem is de raamvertelling zelf. Doordat Hänsel en Gretel ogen en bewegen als (nogal enge) poppen, leef je niet met ze mee. Veel scènes missen ook de frisse spelenergie waarin De Beer sterk is. En het statische effect wordt nog verergerd doordat Humperdinck zelf óók vaak zijn partituur stilzet voor (prachtige!) volksliedachtige aria’s van dienende personages als knisperheks, zandman en dauwfee. Die scènes lopen dan weer over van de verwijzingen, waaronder één heel aardige: naar de onweerscène uit The Sound of Music, met Hans, Grietje én de zwerfkinderen samen in een wit droombed tussen de sterren.

Maar niet alle eigentijdse verwijzingen treffen doel. Klaas Vaak als een griezel met een doos valium, de heks als pedoseksuele dragqueen met jarretelles, peperkoekkinderen die in hun ondergoed en korte borstelkapsels ogen als een concentratiekampstilleven – wat moet je ermee? Zo abrupt schakelen van Unicef via burleske naar ultieme gruwel – dat slaat murw.

Vocaal is de voorstelling bezet met veel uitstekende Nederlandse zangers, onder wie Lenneke Ruiten als soepele, gesoigneerde Gretchen, Thomas Oliemans (fraaie laagte!) als Vader en Charlotte Margiono in een geslaagde rentree als Moeder.

Maar de voornaamste attracties zijn toch de hyperromantische muziek en het excellente orkestspel. DNO-chef Marc Albrecht doet er álles aan te laten voelen hoe geweldig deze muziek is als je onder het glazuur tuurt. Hij laat het NedPho Wagneriaans en Straussiaans vlammen en stuwt je het bloed naar de wangen – soms zelfs in ronkende portamenti. Het koperkoraal waarmee de voorstelling begint bezit toverkracht.