Column

Mijn vriend, mijn broer

Na het wintifeest was ik niet bang meer. Niet voor Suriname, niet voor kwade geesten. ’s Nachts droomde ik over de jungle. En overdag keek ik naar mijn wereld met nieuwe ogen: ik heb mijn hele leven op en rond de West-Kruiskade gewoond, de meest Surinaamse straat van Rotterdam, maar voor het eerst herkende ik woordjes op de uithangborden, ik maakte praatjes met de baliemedewerkers in verschepingskantoortjes en snapte de functie van de textiel die de winkels daar verkopen: blauw en wit voor de spirit van de voorouders, rood staat voor de spirit van de indianen.

Ik was niet alleen niet bang meer om naar Suriname te gaan. Ik had zin. Maar óf en waar de plantage van mijn voorouders bestond, had ik nog steeds niet uitgevonden. Mijn vader had me een mooi verhaal verteld, maar misschien was dat alles: een mooi verhaal?

Enter: Jim.

De zoon van een wijze Indonesische vrouw, een van mijn moeders beste vriendinnen, en een Surinaamse man, die net als mijn vader soms oppopte en dan plotseling weer verdween. Jim was 11 toen ik geboren werd. Mijn moeder vernoemde mij naar een van Jims beste vrienden.

Toen mijn moeder ging studeren aan de kunstacademie, paste Jim ’s avonds op. Hij was twintig, ik was negen. Hij deed aan capoeira en had dreadlocks. We tekenden samen, analyseerden liedjes van Madonna, maakten uitstapjes naar Amsterdam. Hij was de enige volwassene die was uitgenodigd voor mijn tiende verjaardagsfeestje. En wonder boven wonder, denk ik nu, kwam hij nog ook.

Hij was mijn grote vriend, mijn oudere broer. De coolest broer on the block.

Vlak nadat mijn vader na 28 jaar contact met me had opgenomen, kwam ik Jim voor het eerst sinds jaren weer tegen. Zijn dreadlocks had hij afgeknipt en hij was inmiddels zelf vader, van een puberende zoon. Ik vertelde over mijn vaders mailtje, vroeg wat ik ermee moest. Jim zei: bel hem, nu het nog kan. Hij had zijn eigen vader opgezocht vlak voordat die stierf. En was daar altijd blij om geweest.

Zonder Jim was dit verhaal nooit begonnen. En zonder Jim was het veel eerder gestopt. Want Jim werd net zo warm van mijn vaders verhaal als ik. Terwijl ik voodoopriesters en wintifeesten bezocht, ging Jim op zoek naar feiten. Op websites, in almanakken, in stambomen en in het Nationaal Archief. Hij werd vrienden met andere Surinaamse onderzoekers, beleefde door het onderzoek een heel eigen avontuur.

Hij ontdekte veel: een van mijn voorvaderen komt uit China. Ik ben verre familie van Humberto Tan (toch nog). Hij vond geboorteaktes en overlijdensberichten en vulde stukje bij beetje mijn stamboom in. Maar de plantage die mijn voorouders na de afschaffing van de slavernij in hun bezit zouden hebben gekregen, bleef mysterieus. Was het een sprookje? Tot hij op een internetforum op een oproepje van de voormalige Nederlandse ambassadrice in Malta stuitte.

Een paar dagen later, ik stond net in de stromende regen te vloeken om een klapband, stuurde Jim een sms: „Groot nieuws!!!!” Het sprookje van mijn vader bleek werkelijkheid. Jim had de stille plantage gevonden.