Ik wilde wakker worden met blond haar

kan zich van zijn adoptie en de eerste twaalf jaar van zijn leven bijna niets herinneren. Door zijn carrièreswitch kwam het jongetje dat hij ooit was weer tevoorschijn.

Als kind lag Martin van de Graaf ’s nachts vaak wakker. Zijn hoofd zat vol wensgedachten, maar één overheerste: dat hij wakker zou worden met blond haar en blauwe ogen.

„Ik wilde er graag bij horen”, vertelt hij in het wegrestaurant waar wij elkaar op een doordeweekse ochtend ontmoeten. „Zodra ik wakker was, rende ik naar de spiegel: zou mijn wens zijn vervuld?”

Martin bleef wie hij was: een Aziatische jongen met de daarbij behorende kenmerken. Hij werd in 1972 geboren in Zuid-Korea. Samen met zijn oudere zus Lisa werd hij geadopteerd door een Nederlands stel. Martin was tweeënhalf.

Zijn geboorteplaats Busan heeft weinig gemeen met het kerkelijke gehucht waar zijn adoptieouders wonen: Ammerstol. In de havenstad Busan kun je levende octopus eten. De magneetzweeftrein die er sinds enkele jaren doorheen rijdt heeft een snelheid van 430 kilometer.

Martin heeft het van horen zeggen. Hij heeft zijn geboorteland nog nooit bezocht. Wel ontmoette hij zijn biologische moeder en broer toen hij 28 jaar was, in hun nieuwe thuisland, de Verenigde Staten. Die ontmoeting zorgde voor gemengde gevoelens – waarover later meer.

Eerst vertelt hij hoe het was om als Aziatisch kind in Ammerstol op te groeien. In de jaren zeventig, toen allochtonen nog een noviteit waren. „Ik voelde dat ik anders was – vaak in negatieve zin. Als kinderen kattekwaad uithaalden, kwam de politie als vanzelfsprekend bij mij uit.”

Hij haalt er nu zijn schouders over op, maar toen... Martin zucht. „Ik weet nog dat ik op de schaatsbaan mijn schaatsen onderbond. Er zat een meisje naast me. ‘Hé, Chinees’, zei ze, met misprijzende blik. Haar woorden troffen mij als een mokerslag.”

De onzekere Martin werd nóg onzekerder. Hij durfde geen meisje meer aan te spreken. „Weet je dat ik mij vrijwel niets herinner van mijn eerste twaalf levensjaren? Vijf jaar geleden was er een reünie van de lagere school. Een leraar vertelde dat ik een rechtvaardige inborst had. Als klasgenoten in nood zaten, wierp ik mij op als redder.”

Het verrast niet dat hij van redden zijn beroep maakte. Via de marechaussee kwam hij na zijn studie bij het arrestatieteam in Den Haag terecht, een elite-eenheid van de politie. Daarna beveiligde hij zes jaar lang de Nederlandse ambassadeur in Afghanistan en Irak. Gevaarlijk werk, zegt hij, waarbij hij meerdere keren aan de dood is ontsnapt. „Ik voldeed graag aan de verwachtingen van anderen. Ik zag het als een lotsbestemming: als het je tijd is, is het je tijd. Of je nou over een stoeptegel valt, ernstig ziek wordt of in een hinderlaag rijdt.”

Wanneer besloot u: ik ga op zoek naar mijn biologische ouders?

„Die beslissing werd voor mij gemaakt. Mijn zus Lisa had als kind aanpassingsproblemen. Ze leed aan nachtmerries die zij niet kon plaatsen. Eenmaal uit huis heeft zij gebeld met Arierang, een organisatie die Koreaanse adoptiekinderen in contact brengt met hun biologische ouders. Ter ondersteuning ging ik met haar mee naar Amerika.”

U was niet nieuwsgierig naar uw biologische ouders?

„Ik heb mijn biologische familie lang geïdealiseerd. Ik fantaseerde over hoe mijn leven eruit had gezien als ik in Korea was gebleven. In slechte tijden stelde ik mij voor dat ik mijn biologische moeder in de armen sloot. Maar dat ook echt dóen? Dat idee benauwde me.”

Omdat het tegen kon vallen?

„Mijn fantasieën waren een uitvlucht. Het voelde als een back-upplan.”

Van zijn moeder hoorde hij dat zijn vader niet dood was – zoals hij veronderstelde – maar de benen had genomen toen hij net geboren was. „Hij gokte veel en genoot op zijn manier van het leven”, vat Martin het droog samen. Zijn moeder bleef achter met een grote schuld en moest hun wasserette in Busan verkopen. „Daarom heeft zij ons ter adoptie gesteld: het water stond haar aan de lippen. Alleen mijn broer James bleef achter. Geen gezin wilde drie kinderen adopteren.”

Viel het weerzien met uw moeder tegen, zoals u vreesde?

„Het weerzien niet. Ik ontmoette James en mijn moeder op het vliegveld in Chicago, waar hij als dominee woont en werkt. Een vreemde gewaarwording: alsof ik een kopie van mezelf zag. Dezelfde korte beentjes onder een lang bovenlichaam. En mijn zus vertoont veel gelijkenis met mijn moeder. Nog voor we een woord hadden gewisseld, was duidelijk: dit is waar we vandaan komen.”

In de kerk waar James werkzaam is, kregen Martin en Lisa een applaus tijdens de mis. Vijftienhonderd Koreaanse kerkgangers erkenden hoe bijzonder de hereniging was. „Ik was zó blij, dat ik in staat was te verhuizen.”

U zegt ‘was’.

„De eerste tijd leefde ik in een roes. Al die jaren zocht ik naar herkenning, nu was het binnen handbereik. Ik hoorde hoe mijn moeder had gesappeld. Dat ze ons alle drie had willen afstaan, zodat zij zelfmoord kon plegen. De schulden en de schuldgevoelens... Het was haar te veel. Maar de zorg voor James hield haar met beide benen op de grond. Via haar zus, die in de Verenigde Staten woonde, kregen mijn moeder en hij een tweede kans.”

Martin is nooit boos geweest op zijn moeder. Hij maakt haar geen verwijten, zoals hij adoptiekinderen in het tv-programma Spoorloos soms ziet doen. „Want een moeder die haar kind afstaat... Dat is zó onnatuurlijk, dan móet ze wel wanhopig zijn. Wie ben ik om daarover te oordelen?”

Tegelijkertijd deed het pijn dat zijn moeder 25 jaar van zijn leven had gemist. Bij elke anekdote die zij hem vertelde besefte hij: daar ben ik niet bij geweest. „Het leek of ik gedroomd had: wie zijn die vreemde mensen? Ik heb maar tweeënhalf jaar van mijn leven met hen gedeeld. En waarom stuurt James alleen een mail als hij geld nodig heeft?”

Waar Lisa tot rust kwam na hun bezoek aan Chicago – haar nachtmerries over witte lakens kon zij nu terugvoeren op de wasserette van haar ouders – kreeg Martin last van stressverschijnselen. Zijn geordende Nederlandse leven leek opeens een stuk minder geordend. „Ik besefte dat ik iets heb nagestreefd wat er niet was.”

U voelde zich gefopt.

Hij springt op, bijna verheugd. „Gefopt! Gefopt! Wat een grappige benaming. Maar inderdaad: ik was mijn back-upplan kwijt. Na dertien jaar ging het uit met mijn vriendin. Bij de politie werd ik op non-actief gesteld na een snelheidsovertreding. Ik kwam in financiële problemen. De grond zakte onder mijn voeten vandaan.”

En toch wekt hij in het wegrestaurant de indruk dat hij zijn zaakjes goed op orde heeft. Hij zit strak in het pak en is helder van geest. Hoe zit dat?

„De jongens met wie ik in Afghanistan en Irak werkte, waren op hun vijftigste afgestompt. Ik kon geen zinnig gesprek met ze voeren. Zo wilde ik niet oud worden.” Toen de marechaussee de beveiliging van de Nederlandse ambassadeur zes jaar geleden overnam van het particuliere bedrijf waarvoor hij werkte, was Martin stiekem opgelucht.

Hij werd ondernemer. Na wat omzwervingen ontmoette hij zorgspecialist Theo Berg. Berg wilde met zijn bedrijf Kloek een woonomgeving voor dementerenden met een kleine beurs openen in Roosendaal. Hij vroeg Martin of hij mee wilde doen. „Kleinschalige woonvormen. Geen gesloten afdelingen. Ik zorg ervoor dat hun veiligheid gewaarborgd blijft.”

‘De cirkel is rond’, schrijft u op uw bedrijfswebsite.

„Ja. Als beveiliger in Afghanistan heb ik veel geld verdiend. Héél veel geld. Maar was ik gelukkig? Nee. Ik miste het jongetje dat zich opwierp als redder in nood. Dat was ik door alle turbulentie kwijtgeraakt. Bij Kloek vond ik hem terug.”

U heeft geen back-upplan meer nodig?

Hij lacht. „Ik jaag nu mijn dromen na.”