Heel Californië is een woestijn

Van de California Water Wars uit de vorige eeuw – toen een meer moest wijken voor een aquaduct – beland je via de huidige droogterecords al snel in de nabije toekomst die Claire Vaye Watkins (1984) schetst in haar indrukwekkende debuutroman Goud, roem, citrus. De droogte heeft Californië onleefbaar gemaakt. De hele regio is een woestijn, bewoond door outcasts en bedreigd door de Amorgosa, een reusachtige duinenzee die hele steden opslokt. Los Angeles is een stad met tien miljoen lege zwembaden. Aan de randen van het wél bewoonbare Amerika staan burgermilities. Vluchten kan niet meer. En toch proberen de hoofdpersonen Luz en Ray weg te komen.

Bij de geboorte van Luz zag alles er nog anders uit. Als baby was ze het symbool voor de belofte dat er meer aquaducten zouden komen, genoeg water voor haar en komende generaties. Op haar 25ste is ze een verwend wicht, slapend in de verlaten villa van een B-sterretje. Met die scène begint Goud, roem, citrus, waarin het verhaal van Luz in hoog tempo van de hak op de tak springt, nu eens staccato dan weer lyrisch onder ‘de eeuwig stralende, eeuwig blakende, eeuwig walmende zon’. Daartegenover staat Ray, de rust zelve, de veteraan die haar ooit liet beloven nooit over de oorlog te praten. De roman krijgt vaart wanneer ze Ig adopteren, een tweejarig zwervertje. Ig is de nieuwe belofte.

Watkins debuteerde in 2012 met de bekroonde verhalenbundel Battleborn. Ook hierin is het Westen van de VS de achtergrond, samen met gefnuikte Amerikaanse dromen. Watkins probeerde verschillende vormen uit en telkens wist ze je met haar personages te raken. Minstens zo ambitieus speelt ze in haar nieuwe roman met verhalen en vertellers: naast Luz’ stem zijn er wel tien andere. Zelfs een inleiding op ‘Neo-fauna van de Amargosa Duinenzee’. Is die veelvormigheid gemakzuchtig of briljant?

Die twijfel wordt tenietgedaan door de menselijkheid en de biografische lijn. Watkins’ vader was lid van de Manson Family, die later actrice Sharon Tate (1943-1969) gruwelijk zou vermoorden. De kleine Ig is geboren in zo’n sekte. Wanneer Ray verdwijnt, dreigt voor Luz en Ig de dood door uitdroging. Op het nippertje worden ze gered: ‘Toen haar hersens weer kleuren opnamen was dat de kleur blauw: boeiende, vlakke blauwe klodders tegen een dof bruin kampement, plakken blauw, eendimensionaal, water, dacht ze, al leek het op water zoals Baby Dunn het getekend had, één plat vlak. Oases klapperend in de wind.’ Ook de rijke armoede van fata morgana’s is treffend vertaald.

De redding komt van de messiasfiguur Levi, die water weet te vinden. Zijn volgelingen hebben vrije seks, gebruiken een natuurlijke drug, ze geloven. Nu Ray weg is kiest Luz voor een nieuw leven. Ze belandt in Levi’s armen. Levi is haar ziener, hij heeft een visie – dat geloof laat Watkins sterk uitkomen. In dit deel van de roman excelleert de auteur, ze toont hoe je bij iemand als Charles Manson belandt en bij hem blijft. Hoe je je veilig voelt en je twijfels wegredeneert. Dat goud, roem en citrus wellicht uitgeput zijn, maar dat je dan nog geloof, hoop en liefde hebt.

Maar dan. In een vreselijke, beklijvende scène wordt Luz door Levi diep vernederd. Al je overtuigingen slaan om bij het zien van de andere kant van de sekte en de goeroe. Watkins heeft evenveel versies van haar dystopische wereld als ze stemmen opvoert. Het draait bij haar niet om oorlog, water of onvruchtbaarheid, maar om welk verhaal je kiest. Ze waarschuwt en amuseert, ze ergert je. Dat overtuigt.