Dieven in Hoorn lieten chaos achter

De geroofde kunstwerken die in Oekraïne zijn opgedoken, werden tien jaar geleden uit het Westfries Museum in Hoorn gestolen.

Gestolen in 2005 uit het Westfries Museum, vanaf boven: Matthias Withoos, Grashaven Hoorn 2,

Het was een spectaculaire roof in een zondagnacht begin januari 2005 in Hoorn van de 24 schilderijen en 70 stukken zilverwerk uit de zeventiende en achttiende eeuw, die nu in Oekraïne zijn opgedoken. De werken vormden het hart van de collectie van het Westfries Museum, dat in dit jaar zijn 125-jarig bestaan vierde, en hadden bijna allemaal een directe link met Hoorn en omstreken.

De inbrekers hadden een totale chaos achtergelaten. Alles wat ze in de weg stond, hadden ze vernield. Glazen vitrines waren ingeslagen, houten panelen kapotgemaakt en porselein lag in scherven. Ze waren ervandoor gegaan met schilderijen van onder anderen Jan van Goyen (Landschap met Boerenkar, 1632), Jacob Waben (Terugkeer van Jefta, 1625 en Vrouw Wereld, 1622), Matthias Withoos (Grashaven Hoorn 1 en 2, na 1750), Jan Claesz. Rietschoof (Gezicht op het Oostereiland, 1652-1719) en Jan Linsen (Rebecca en Eliëzer, 1629). De werken van deze en een aantal minder bekende schilders waren zorgvuldig uit de lijsten gehaald en van hun spijkertjes ontdaan.

Ook verdwenen stukken gebruikszilver en kerkzilver. De totale waarde van de buit werd destijds op 10 miljoen euro geschat. Vanmorgen stelde het museum in zijn persbericht dat de waarde echter tussen de 250.000 en 1,3 miljoen euro geschat moet worden „op basis van recente veilingopbrengsten van vergelijkbare werken van de zelfde schilders”.

Toch verdwenen niet alle topwerken. Een conservator zei destijds dat het meest waardevolle schilderij – waarop Ferdinand Bol Michiel de Ruyter heeft afgebeeld – niet was gestolen, terwijl vier andere werken uit de Admiraliteitskamer wel waren meegenomen. Een schilderij van Mondriaan, dat het museum in bruikleen had, lieten de inbrekers ook hangen. Op twee stukken na waren alle werken eigendom van het museum. Verzekerd waren ze niet, omdat de premie onbetaalbaar was.

Het museum beschikte over een „geavanceerd beveiligingssysteem”, zei het destijds, maar dat was niet afgegaan tijdens de inbraak. De politie vermoedde dat het gemanipuleerd was, waardoor het faalde. Later bleek dat de beveiliging toch niet zo geavanceerd was: de bewegingsmelders binnen waren verouderd en de beveiliging van de buitenkant was al jaren uitgeschakeld. De inbrekers hadden zorgvuldig alle bewegingsmelders afgeplakt, voordat ze de schilderijen uit de spieraampjes haalden. Het beveiligingsbedrijf van het museum had in september 2004 gemeld dat de beveiliging verouderd was. Het had geadviseerd het systeem en de detectors up-to-date te maken. De gemeente investeerde daarna 46.000 euro in het museum, waarvan 19.000 voor extra beveiliging.

Het weekend na de roof toonde het museum onder de titel Het geroofde hart foto’s van de gestolen werken in de lijsten waarin de schilderijen zich bevonden, om de geslagen wonden met het publiek te delen. Vijf jaar later organiseerde het de Nacht van de Geroofde Kunst om te zorgen dat de roof niet vergeten zou worden.