Abke Haring speelt een vrouw als defecte machine

De eerste vijf minuten van Unisono blijft het stil en donker. Dan gaat Abke Haring aan de keukentafel zitten. Verder is de vloer leeg. Ze zegt: „Wortel uit de aarden grond, maak mij dapper.” Het is een rijmend gedicht van zes regels, dat eindigt met: „Bloem en vrucht gevuld met zon, dankbaar drink ik uit de bron.” Deze solo van drie kwartier schreef de Nederlandse actrice, die vorig jaar de Theo d’Or kreeg voor haar rol als Hamlet bij Toneelgroep Amsterdam, voor zichzelf.

Een hand ligt op tafel, een ander op haar been. Ze beweegt niet. Ze praat op zachte toon. Babbelt over havermout, tegen iemand, alsof die er is – of was. Ze zegt dat ze soms stil is, want het is niet nodig om altijd maar te babbelen. Dan babbelt ze verder, steeds in herhaling vallend: of het gas wel uit is, of het raam wel dicht is, over kinderen.

Dit is een eenzame vrouw, die praat om de stilte niet toe te laten. Misschien is ze bang om haar huis uit te gaan, bang om te leven, en worstelt ze met een fobie. Een fobie die haar dwingt een lange rij woorden op te zeggen, zonder verband.

Dan zwelt de muziek aan en loopt ze in slowmotion rondjes om de tafel. Daarna gaat ze zitten en babbelt verder, zegt weer haar vers. Haring speelt de vrouw als een defecte machine, consequent emotieloos. Veel leger wordt theater niet.