Zijn we zelf nog wel de baas?

Herstel van de Nederlandse soevereiniteit is een populistisch stokpaardje. Is het land een prooi van internationale krachten?

Illustratie Studio NRC

Het is best een moeilijk woord om populistisch Nederland mee op te zwepen: soevereiniteit. Dat bekt toch minder lekker dan „grenzen dicht”, „eigen volk eerst” of „geen cent naar de Grieken”. Toch gebruikt Geert Wilders de term vaak, in Tweede Kamerdebatten, interviews, opiniestukken en tweets. Deze week nog beloofde hij in een interview met Metro: het toekomstige kabinet „Wilders I haalt de Nederlandse soevereiniteit terug”.

Het begrip soevereiniteit duikt de laatste jaren niet alleen op in academische discussies, maar ook bij reaguurders op GeenStijl of op de Facebook-pagina van Pegida Nederland. Tegenstanders van Europese integratie, de muntunie, handelsakkoorden en internationale defensiesamenwerking roepen om een terugkeer naar ‘de soevereine natiestaat’ waarin ‘het volk’ zijn eigen lot in handen heeft. Alles uit Brussel zou onze zelfbeschikking aantasten.

Er lijken argumenten genoeg. Internationale rechters bemoeien zich met onze manier van leven. We sturen blanco cheque na blanco cheque richting Griekenland. Vluchtelingen wordt niets in de weg gelegd om naar Nederland te komen. Van de Verenigde Naties moeten we Zwarte Piet paars en geel schminken. En langzaamaan wordt ons ook nog het EU-lidmaatschap van moslimstaat Turkije door de strot geduwd. Níéts hebben we erover te zeggen.

De ambitie om Nederlandse soevereiniteit terug te veroveren, wint duidelijk aan momentum. Het actiecomité GeenPeil slaagde erin met ruim 425.000 handtekeningen een referendum af te dwingen over het associatieverdrag tussen de Europese Unie en Oekraïne. Niemand gelooft werkelijk dat Nederlandse zelfbeschikking staat of valt met politieke en economische afspraken met een Oost-Europees land. Noch dat een raadgevend referendum – wat politici geheel mogen negeren – het einde van de EU inluidt. Maar het is een luid en duidelijk signaal. „Mensen in Nederland hebben steeds minder zeggenschap over hun leven, daarom trekken ze aan de noodrem”, zegt publicist Thierry Baudet. Hij gelooft dat een nee-stem ook „echte schade doet aan ‘het project’” – een steeds federaler Europa.

Baudet is één van de drijvende krachten achter het referendum dat in april plaatsvindt. In 2012 promoveerde hij op het thema. Zijn proefschrift De Aanval op de Natiestaat leest als de intellectuele legitimatie van Geert Wilders. Het ontmantelen van de natiestaat is „het belangrijkste thema van de naoorlogse elites”, schrijft hij. „Supranationale instanties hebben de gedachte van staatssoevereiniteit volkomen uitgehold.” Daarnaast is „de nationale cultuur” verzwakt „door de golven van massa-immigratie”.

De angst die Wilders en Baudet verwoorden, leeft niet alleen in Nederland. Marie Le Pen ageert ertegen dat Frankrijk het buitenlands beleid heeft uitgeleverd aan de Verenigde Staten. De Hongaarse premier Viktor Orbán bouwt een hek om immigratie tegen te gaan. Het aangekondigde referendum over het mogelijk uit de EU stappen van het Verenigd Koninkrijk komt voort uit het sentiment dat de Britten blootstaan aan te veel Brusselse bemoeienis; zelfs zonder euro en Schengen. En uitgerekend de Griekse minister-president Alexis Tsipras schreef een volksraadpleging uit toen hij zich gepiepeld voelde door Brussel – eurogroepvoorzitter Jeroen Dijsselbloem voorop. Tsipras werd door het Griekse volk in zijn roep om soevereiniteit gesteund. Maar hij voerde na het referendum toch uit wat de schuldeisers van hem verlangden.

Territoriale integriteit

Onder juristen, filosofen en historici is Baudet uitvoerig van repliek gediend. Zijn en Wilders’ idee van soevereiniteit zou hopeloos gedateerd en zelfs verwerpelijk zijn, schreven sommige critici.

Bij de Vrede van Westfalen (in Nederland beter bekend als de Vrede van Münster, 1648) werd het begrip soevereiniteit opnieuw gedefinieerd. Staten zouden voortaan elkaars territoriale integriteit respecteren. Geen keizer of paus stond meer boven de staat. In theorie moest dit geweld tussen landen tegengaan – zij mochten zich immers niet met elkaars zaken bemoeien – en een balance of power creëren. Maar soevereiniteit gold niet voor overzeese koloniën en voorkwam geen oorlog. De twee wereldoorlogen werden aangewakkerd door gevoelens van nationalisme. Na 1945 leek dat ‘enge’, ondeelbare idee van soevereiniteit verdreven door een systeem van gedeelde soevereiniteit die in internationale organisaties wordt bedisseld.

Terwijl het academische discours over soevereiniteit volop in beweging is, speelt het thema weinig in de politiek. In het Haagse debat komt soevereiniteit vooral voor in de militaire context. Drie jaar geleden werkte de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) op verzoek van de regering uit welke consequenties verregaande Europese samenwerking heeft op onze nationale soevereiniteit. De raad oordeelde dat de Nederlandse krijgsmacht al amper zelfstandig is. Nederland is al sinds de Tweede Wereldoorlog afhankelijk van de Verenigde Staten voor haar eigen territoriale verdediging, dankzij afspraken over militaire verdediging en nucleaire afschrikking door deze bondgenoot. Opvallend genoeg heeft de PVV geen moeite met die inbreuk op de nationale soevereiniteit. In het laatste verkiezingsprogramma betoogt de partij: „de NAVO blijft de hoeksteen van onze defensie”.

Ook constateert de AIV dat de Tweede Kamer zich de laatste jaren assertiever opstelt als het gaat om het uitzenden van militairen. Vroeger was dat puur een zaak van de regering, tegenwoordig wordt middels zogeheten de artikel 100-procedure instemming gevraagd. In die politieke praktijk is steun van tweederde van het parlement gewenst om militairen uit te zenden. Het kabinet kan dus niet voldoen aan een verzoek van de Amerikanen om Islamitische Staat ook in Syrië te bestrijden zonder voldoende steun van direct gekozen Tweede Kamerleden.

Militaire verlamming

Bij Europese samenwerking is „het gevaar van verlamming” doordat verschillende landen wel samen willen trainen maar niet willen optreden groter „dan het gevaar van het verlies van soevereiniteit”. De AIV hanteert, net als veel deskundigen, een fundamenteel andere definitie van soevereiniteit dan Wilders en de zijnen. Soevereiniteit is niet „de strikte juridische benadering van het behoud van exclusieve beslissingsbevoegdheid van de staat – de vrijheid om te handelen” maar veel meer „het vermogen van de staat om handelend op te treden door effectief samen te werken”.

Ko Colijn, deskundige op het gebied van internationale veiligheid en één van de auteurs van het AIV-rapport, vraagt zich af of soevereiniteit als begrip nog wel functioneel is. „Je moet je afvragen wat voor een land belangrijker is: dat je overal directe zeggenschap over hebt of dat je ergens toegang toe hebt. Als we alleen verantwoordelijk zijn voor onze veiligheid, bestaat deze niet, als we het gezamenlijk organiseren wel. Zoals het woord soevereiniteit door Wilders gebruikt wordt, creëert het een vals gevoel van machtsbehoud. Waarover ben je dan eigenlijk nog de baas.”

De Vlaamse sociaal-democraat en voormalig minister Frank Vandenbroucke, tegenwoordig hoogleraar in Leuven en aan de UvA, hanteert een bredere definitie van soevereiniteit. „De oude formule is: is een land in staat om zelf wetten uit te vaardigen. Maar je kunt soevereiniteit ook definiëren als: de mate waarin je als land zelf invloed hebt op je eigen belangen.” Voor kleine landen als Nederland en België zijn juist de EU en andere internationale instellingen daarvoor belangrijk. „Ik geloof niet dat we terug kunnen naar de goede oude tijd van onafhankelijke natiestaten, dat is een illusie.” Overigens een oude fictie, want naast dat we al lang niet meer voor onze eigen veiligheid kunnen zorgen, is er ook al decennia monetaire verwevenheid. Door de koppeling van de gulden en de frank aan de Duitse mark, waren Nederland en België al voor de euro sterk afhankelijk van Duits beleid.

Bindende referenda

Thierry Baudet stelt daar weer tegenover dat samenwerking, en zelfs enige afhankelijkheid, niet gepaard hoeft te gaan met politieke integratie. Internationale afspraken zijn juist te maken zonder supranationale Europese superstaat. „Hebben wij invloed in de wereld? Noorwegen en Zwitserland zitten aan tafel bij internationale onderhandelingen. Wij niet, want we zijn onderworpen aan malle EU-onderhandelaars die de belangen van 28 totaal verschillende landen moeten wikken en wegen.”

Wilders noemt vaak Zwitserland als voorbeeld van een soevereine staat die, met bindende referenda, het volk laat beslissen. Hij gaat dan voorbij aan het feit dat Zwitserland, om te kunnen handelen met omringende EU-landen , zich aan allerlei regels moet houden waar het niet zelf in Brussel over heeft mee-onderhandeld.

De Belg Frank Vandenbroucke schrijft regelmatig over soevereiniteit, onder meer in het blad van de Wiardi Beckman Stichting. Dit wetenschappelijk bureau van de PvdA verwijst ook naar hem voor linkse ideeën over het thema; een Nederlandse deskundige hebben ze niet in huis. Wellicht, zegt Vandenbroucke, heeft België een langere geschiedenis in het politieke denken over soevereiniteit, omdat er altijd discussie is geweest over zeggenschap tussen de federale staat, de drie verschillende gewesten en twee taalgemeenschappen. „Soevereiniteit is nooit iets ondeelbaars is geweest”, zegt hij.

Wel heeft hij begrip voor „de emoties” die spelen bij het begrip soevereiniteit. „Beslissingen worden in de Europese Raad genomen door regeringsleiders die door hun parlementen gemandateerd zijn. Soms nog in samenspraak met het Europees Parlement, wat we direct zelf kiezen. Maar het vóélt niet democratisch, omdat we als burger in Europa maar één van de 500 miljoen zijn en verschillende talen spreken. Het is belangrijk om te onderkennen dat ‘Brussel’ voor veel mensen iets is waar ze juist geen grip op lijken te hebben.”

Volgens Vandenbroucke is het delen van soevereiniteit tussen landen belangrijk om invloed te krijgen op internationale fenomenen in de geglobaliseerde wereld. „Als we iets willen doen aan klimaatveranderingen, of voorkomen dat grote bedrijven in een race to the bottom landen tegen elkaar kunnen uitspelen om het laagste belastingtarief, dan moeten we samen optrekken.” Dan vallen nationale en supranationale belangen volgens hem samen.

Uit zijn voorbeelden blijkt dat politieke partijen afhankelijk van hun ideologie sterk verschillen in hoe zij soevereiniteit – en het delen daarvan – beschouwen, ook als ze het eens zijn over het bestaansrecht van internationale integratie. Bij het wetenschappelijk bureau van het CDA „wordt vooral veel nagedacht over ‘soevereiniteit in eigen kring’”, zegt directeur Rien Fraanje. Dit beginsel, in 1880 bedacht door Abraham Kuyper, stelt dat het gezin, de kerk, de school en de staat, hun eigen, door God gegeven soevereiniteit hebben en niet in elkaars kring interveniëren. Ondanks het einde van de verzuiling en de toegenomen mondialisering, staat dit principe voor het CDA overeind.

„De vertaling van het principe van soevereiniteit in eigen kring naar de positie van Nederland in de wereld staat nog in de kinderschoenen”, zegt Fraanje. „In de discussie over Europa is de katholieke theorie van subsidiariteit minstens zo belangrijk. Op welk niveau leg je in die meer verticale ordening de verantwoordelijkheden? Wat ons betreft zo laag mogelijk. En bij zaken die we toch Europees regelen, moeten we zorgen dat mensen het gevoel hebben dat ze er grip op hebben. Dat ze zich er mee kunnen identificeren.” De huidige, populistische roep om soevereiniteit lijkt vooral een gevoel van onmacht. Dat ziet Fraanje als „een wake-up call” voor de politiek.

Papieren werkelijkheid

De aan de VVD gelieerde Teldersstichting werkt aan een rapport over soevereiniteit. Volgens directeur Patrick van Schie bestaat Nederlandse soevereiniteit in de basis nog steeds. „Grenzen zijn in principe onschendbaar en de soevereiniteit van een land is uiteindelijk terug te voeren tot de burgers. Dat een land bevoegdheden overdraagt, betekent niet dat de soevereiniteit verdwenen is.”

Meer dan bij de EU of de NAVO ziet Van Schie problemen bij verdragen over mensenrechten of vluchtelingen. „Als internationale gerechtshoven die verdragen anders gaan interpreteren dan politici hier, ontstaat spanning met de democratie. In theorie gebeurt dat ook met nationale rechters, maar dan kan het parlement altijd besluiten om een wet te veranderen. Dat is internationaal veel lastiger.”

Nationale soevereiniteit lijkt zo toch een papieren werkelijkheid. Van Schie: „We kunnen bevoegdheden die we uitbesteden weer terughalen, of zelfs uit de Europese Unie stappen. In die zin zijn we soeverein.” De vraag is wel, zegt Van Schie, of dat verstandig zou zijn.

Daar ziet Ko Colijn de grootste opdracht voor de politiek: om uit te leggen hoe onverstandig dat zou zijn. Het begrip soevereiniteit lijkt gekaapt door mensen die het interpreteren als absolute nationale zelfbeschikking. „Soevereiniteit, niemand weet precies wat het is, maar als je het niet koestert, pleeg je zo ongeveer landverraad”, schreef hij eerder. „We moeten eerlijk zijn dat we veel macht en zeggenschap allang hebben weggegeven, maar de gevolgen van die ‘terughalen’ zouden desastreus zijn voor onze welvaart en veiligheid. We zullen onze afhankelijkheid moeten accepteren.”