We zijn tevreden. Nog wel

Tientallen verslaggevers van deze krant zwermden uit over het land en voerden 380 lange gesprekken in 30 buurten. Conclusie: Nederlanders zijn tevreden over het hier en nu, maar vrezen de toekomst. „Zelfredzaamheid is grotendeels een illusie.” Tekst Bas Blokker Onderzoek Arlen Poort Foto’s David van Dam

Onno Dröge Foto's David van Dam

Nog niet – de meest gebruikte zinsnede in 382 gesprekken in heel Nederland. Nederlanders zijn nog niet arm. Ze zijn nog niet werkloos. Hun huis is nog niet te duur. Ze zijn nog niet ongezond. En angst voor aanslagen beheerst hun leven nog niet.

Maar het kan allemaal ineens omslaan, want straks… het andere woord dat steeds valt. Straks komt de volgende reorganisatie en heb ik geen werk meer. Straks gaan mijn kinderen studeren en hoe betaal ik dat? „Je moet met een flinke bak geld aankomen”, zegt Kristy van de Kuile uit Renswoude. Aan de andere kant: „Je moet ze wel laten studeren, anders krijgen ze straks geen kansen.”

En als je kinderen het huis uit zijn, komen je ouders alweer binnen voor de mantelzorg. „Dan mag je de luiers van je eigen moeder gaan verschonen”, zegt een 39-jarige vrouw uit Eindhoven. „En als je zelf kanker oploopt, dan kun je de behandeling wel krijgen als je rijk bent, maar niet als je minder geld hebt”, zegt een D66-stemmer uit Lelystad.

Straks wordt het waarschijnlijk slechter dan nu. Ze weten het niet zeker, want bijna alle zekerheden waarmee de volwassenen van nu zijn grootgebracht, lijken verdampt. Eerst sloeg de crisis het vertrouwen in de financiële toekomst weg. Ze werden uit vaste banen ontslagen en kregen er een flexcontract voor terug. Toen kwamen de hervormingen van de kabinetten-Rutte, die van de zorg een sober labyrint hebben gemaakt. En nu komen asielzoekers bij honderden tegelijk de gemeenten in. „Straks gaat onze cultuur helemaal verloren”, zegt een 37-jarige SP-stemmer uit Geertruidenberg.

Deze krant hield vijf keer eerder buurtonderzoeken met eenzelfde opzet, in 1994, 1998, 2002 (twee keer) en in 2012. Verslaggevers gaan bij een supermarkt of een friteskar staan, nemen plaats in de wachtkamer van een gezondheidscentrum, drukken huis aan huis op de deurbel. En als de mensen willen praten, dan zijn de kernvragen: wat zijn de grootste problemen voor Nederland en wat zijn de grootste problemen voor u persoonlijk?

Het eerste dat opvalt: elke keer neemt het aantal mensen dat wil praten verder af. De verslaggever die vorige week in de Dichtersbuurt van Oss rondliep, heeft „tussen de 40 en 50 keer aangebeld en kon bij slechts 4 mensen terecht”. In de meeste buurten noteerden verslaggevers dat, als de deur met de sticker ‘NEE, geen collectes, verkopers of geloofsovertuigers’ dan toch openging, ze door de bewoners met argwaan werden bekeken.

Na de gesprekken die wel werden gevoerd, zeiden de meeste mensen dat ze niet met naam en toenaam in de krant wilden worden geciteerd – ook anders dan vroeger. Soms werd daarbij verwezen naar de gure reacties die bij het minste of geringste rondgaan op sociale media.

Ongelijkheid is gevaarlijk

Ook in eerdere onderzoeken kwam onzekerheid naar voren – dat krijg je ervan als je naar problemen vraagt in een welvaartsstaat. Maar de onzekerheid van nu lijkt algemener. Die strekt zich uit over meer terreinen van het leven en drukt evengoed op de armen als op de rijken, hoe verschillend hun omstandigheden ook zijn.

En die zijn heel verschillend. Aan de ene kant staat bijvoorbeeld Klazienaveen in Emmen – een jarenzestigbuurt aan weerszijden van een veenkanaal, met goedkope winkels (Lidl, Action, Wibra, Scapino), veel geparkeerde auto’s, want parkeren is er gratis, te dikke mensen en rokers. Aan de andere kant staat de Duisterweg in Amersfoort, waar de nieuwbouw is neergezet in een ‘oud’ landschap van houtwallen, met fazanten, slootjes, een enkele boerderij en daartussen vrijstaande huizen. Twee Volvo’s voor de deur, want boodschappen doen ze hier met de auto.

Ook in de rijkere buurten maakt men zich zorgen over dit onderscheid. Henrikus Koopman uit Bussum geeft al dertig jaar les op een basisschool voor speciaal onderwijs. „Daar zitten vaak kinderen van ouders die geen werk en geen perspectief hebben. Ik heb kinderen van mijn leerlingen in de klas gekregen en zelfs al kleinkinderen. Ik zie de tweedeling ontstaan. We krijgen meer en meer sociaal zwakkeren in de klas.”

In de Rotterdamse wijk De Esch zegt een 58-jarige man: „Het verschil tussen de boven- en de onderkant is veel te groot. De onderkant wordt te veel achternagezeten. Bij het minste of geringste krijgen ze een korting op hun uitkering. Terwijl er geen fatsoenlijk werk is.”

Verschraling rukt op

Misdaad, in 1994 nog in 10 procent van de gesprekken genoemd, is in 2015 nauwelijks nog een kwestie. De kwesties die het meest worden genoemd zijn sociaal van aard: gezondheidszorg en de zorg voor ouderen. Bezuinigingen en hervormingen in die sectoren zijn verkeerd of veel te ver doorgevoerd, vinden veel ondervraagden. „Als er een echtpaar is van wie één zorg nodig heeft, dan worden zij, 60 jaar samen, uit elkaar gehaald omdat er geen plek en geen geld is om ook de andere helft op te vangen”, zegt Erlend van Haastrecht uit Alkmaar.

En kom niet aan met woorden als participatiemaatschappij, eigen kracht of sociaal netwerk. „Zelfredzaamheid is grotendeels een illusie”, zegt André Kan uit het Limburgse Born.

Een 74-jarige man uit De Esch in Rotterdam vertelt: „Mijn moeder is honderd geworden. Het verzorgingstehuis ging dicht, ze zat op een gang met dertig lege deuren. Toen is ze overgeplaatst, en kort daarna is ze gestorven. Je ziet ook wat die babbels over de participatiemaatschappij betekenen: wij waren de enige mantelzorgers.”

Een 35-jarige vrouw uit Midwolda zegt: „Die mensies van 80 hebben gewoon even aandacht nodig: heeft u het broodje gehad? Zal ik wat smeren? De kinderen komen toch alleen op zondag langs. Wij van de thuiszorg zijn de eersten die het zien als het mis gaat. Mijn vader heeft alzheimer maar er is geen plek op de dagbesteding. Ik probeer mijn moeder zoveel mogelijk te helpen. Stukje wandelen, bed verschonen. Wij zeggen altijd tegen elkaar, ja, die Rutte die heeft zijn zorg heus wel ingekocht, maar wij knooien het maar wat bij elkaar.”

Het is niet alleen dat er minder geld voor is („Ik heb het aan mijn nieren en ik moet alles zelf betalen”), of dat de premies en het eigen risico voortdurend omhoog gaan, het is vooral dat het allemaal zo snel verandert. „Ik ga volgend jaar weer tien euro meer eigen risico betalen, maar wat krijg ik er voor terug?”, vraagt Jan van Roessel uit Geertruidenberg zich af. „Mijn gezondheid is nu goed, maar wat als ik wat krijg?”, zegt een 54-jarige PVV-stemmer uit Klazienaveen. „Kan ik dan in het ziekenhuis terecht? Word ik geholpen?”

„De zorg is een rommeltje geworden”, zegt de 32-jarige vrouw die in een snackbar in het Friese Drachten werkt. „Er zijn nog wel potjes, maar waar zijn ze, waar moet je aankloppen? De hulp moet van veel te veel verschillende kanten komen tegenwoordig. Dus weten de mensen het niet meer te vinden.”

„Als ik op internet filmpjes zie van bejaarden die niet gewassen worden…”, zegt Savas Uluhan uit Oss, parttime postsorteerder die in 2012 nog PvdA stemde, maar nu voor het CDA zou kiezen. „Ondertussen gaat er wel geld naar het buitenland, maar niet naar de zorg of naar wc’s in nieuwe treinen. Vanwege m’n achtergrond zou ik niet zo snel op Geert Wilders stemmen – we zijn Turks – maar als-ie écht wat zou gaan doen aan de zorg misschien wel.”

Migratie is te duur

Als aan zorg te weinig geld wordt uitgegeven, waar gaat het dan wel naartoe? „Naar het buitenland”, zeggen veel ondervraagden, „naar Griekenland” (zo’n twintig keer genoemd). En natuurlijk naar de „asielzoekerij”, zoals de Tielse Winny van de Engh het noemt. De toestroom van asielzoekers is volgens de ondervraagden het meest urgente probleem.

In de eerste plaats zijn er zorgen, bij het hele politieke spectrum, over de vraag hoe Nederland de opvang in goede banen kan leiden. Sommige mensen bedoelen dat ze zich zorgen maken of de opvang wel goed genoeg is. Maar er zijn meer mensen die vinden dat Nederland te gastvrij is, dat er te veel vluchtelingen worden opgevangen. Ze denken vooral dat niet scherp genoeg onderscheid wordt gemaakt tussen „echte vluchtelingen” en „goudzoekers”. Bij een minderheid strekken de zorgen zich uit naar alle andere migranten. „Er komen steeds meer buitenlanders. En het is of ze altijd zwanger zijn. Het lijkt soms wel of ik op vakantie ben”, zegt een 54-jarige niet-stemmer uit Breda.

Deze mensen maken zich zorgen over de verdringingseffecten van de immigratie, zoals de 74-jarige man uit Klazienaveen die vindt dat het kabinet moet „opkomen voor mensen zoals wij”. Mensen die hun leven lang hard gewerkt hebben, zoals hij bij de Norit-fabriek, en nooit een vlieg kwaad hebben gedaan. „Ze moeten niet andere mensen voortrekken boven ons.”

Een studente uit Alkmaar zegt: „We hebben alle ruimte voor ze, daar gaat het niet om. Maar zij komen ons land binnen en ineens kunnen er duizenden woningen worden gebouwd. Terwijl het woningtekort in ons land al veel langer een probleem is. Ze krijgen bovendien voorrang op sociale huurders hier. Dan vraag ik me af: waarom werd er dan niet veel eerder gebouwd?”

Zorgen zijn er ook om minder tastbare effecten. „Hoe zullen onze waarden en normen in de toekomst zijn”, zegt een 63-jarige man uit Bussum. „De mensen die hier komen, hebben heel andere waarden en normen. De enigen die dat niet willen zien, zijn de linkse partijen.”

Een 54-jarige plaatsgenoot zegt dat „de multiculturalisering, de toestand in de wereld en de komst van asielzoekers voor onrust in de samenleving hebben gezorgd”. En die verandert ook hem. „Je merkt het in gesprekken met familie en vrienden – ik hoor mezelf soms onverdraagzamer zijn dan ik mezelf altijd zag. En dan denk ik: wat hebben we dan verkeerd gedaan? Zijn we tot nog toe te redelijk geweest?”

Begrip voor het kabinet

De angst voor onredelijkheid zit diep. Je merkt het aan de opmerkingen over de opvoeding van kinderen, over de normen en waarden die asielzoekers zouden moeten leren („Zó doen wij dingen hier: je jat niet, je betaalt gewoon en dat er een vrouw achter de kassa staat is prima”) en over het kabinet. Dat wordt over het algemeen mild beoordeeld, met rapportcijfers tussen de 5 en de 8. De categorische uitzonderingen zijn PVV-stemmers en niet-stemmers. De rest heeft begrip voor de omstandigheden („ze krijgen heel wat op hun bord”), en waardering voor de stabiliteit („alleen al voor het feit dat ze proberen de rit volledig uit te zitten”) en de ordelijke begroting.

De VVD lijkt meer van die waardering te profiteren dan de PvdA. De geïnterviewden werd gevraagd wat ze in 2012 hadden gestemd en wat ze bij verkiezingen nu zouden stemmen. De VVD-stemmers zijn na drie jaar veel trouwer dan de PvdA’ers en het aantal VVD’ers dat nog twijfelt, is bijna net zo groot als het aantal toenmalige PvdA-stemmers dat al zeker weet een andere partij te kiezen.

Ja, ik ben wel gelukkig nu

Maar politiek is heel het leven niet. De geïnterviewden gingen ook in op hun persoonlijk leven en daar viel de zon meteen binnen in de gesprekken. Natuurlijk hadden ze problemen. Ze konden ziek zijn, of net ontslagen of gescheiden. Maar op de vraag of hun eigen leven er in vergelijking met tien jaar geleden op voor- of achteruit is gegaan, antwoordde bijna de helft dat hun leven er (sterk) op vooruit was gegaan. 6,5 procent vond het er sterk op achteruitgegaan.

En hoe komt dat? De antwoorden lezen als het begin van de film Love Actually. „Later kwam ik mijn huidige man tegen en kwam ik hier te wonen.” „Ik ben minder gezond, maar ik ben wijzer. Ik maak betere keuzes tegenwoordig.” „Nu heb ik een leuke vent, een kind, een goed inkomen.” „Ik heb borstkanker overleefd. Heel cliché, maar je wordt er rijker van, tevreden met wat je hebt.” „Elke zondag komen onze kinderen en kleinkinderen op bezoek. We hebben een huis. We hebben een auto. Ik mag nog steeds autorijden.”

Luister naar het gepensioneerde echtpaar Thom en Thea uit Drachten.

Zij: „Ons leven is verrijkt. De kinderen doen het zo goed. Ze hebben gestudeerd, nu hebben ze allebei werk. We hebben een kleinkind. En de tweede is onderweg.”

Hij: „Het is een verrijking, zeker.”

Zij: „Niet in geld, hoor.”

Hij: „Ik ben dik tevreden.”

Er wordt wel geklaagd of gefronst over de lasten van de mantelzorg, maar toch smeren tientallen mensen boterhammen voor hun oude buren of hulpbehoevende ouders, geven ze plantjes water, laten andermans honden uit, verschonen ze inderdaad de luiers van hun dementerende moeder. De participatiemaatschappij mag dan geen ideaal zijn, maar de Nederlanders leven hem allang, noodgedwongen, uit overtuiging of uit liefde.

Lonneke van Aken, werkloos en studerend in de wijk Lentemorgen I te Zevenaar, woont schuin tegenover een omahotel – zo noemt haar dochter dat, een seniorenflat. „Laatst was er een oma overleden, en zat een opaatje helemaal alleen. Mijn dochter van zeven is bij hem langsgegaan. Voor ik het wist had ze hem uitgenodigd voor het eten.”