Column

We gunnen de buren niks, alleen problemen

Luxemburg stapt naar het Europese Hof vanwege de zogeheten Fiat-affaire. De Europese Commissie oordeelde in oktober dat Luxemburg tientallen miljoenen euro’s aan misgelopen belastinginkomsten van de Italiaanse autofabrikant moet terugvorderen, maar dat wil Luxemburg niet.

Fiat had een fiscale truc gebruikt, transfer pricing, om geld tussen dochters in diverse landen heen en weer te schuiven, waardoor het in Luxemburg nauwelijks belasting betaalde. En een soortgelijk scenario tekent zich daar nu af rond McDonald’s. Volgens Pierre Gramegna, de Luxemburgse minister van Financiën, hield de Commissie er echter een „innovatieve” definitie van transfer pricing op na. Als de Commissie dat kan, „kunnen anderen het ook”, zei hij. Daarmee bedoelde hij het Hof.

De Financial Times wijdde deze week een kort bericht aan het Luxemburgse beroep in het Fiat-dossier. Kleine berichtjes bevestigen soms grote ontwikkelingen. Want de Luxemburgse strategie lijkt op de Nederlandse in de Starbucks-zaak. Nederland moet van de Commissie zeker 20 miljoen bij de koffiereus terugclaimen, en stapt óók naar het Hof. België, dat ook multinationals lokt met fiscale stunts, doet mee.

De drie afficheren dit niet. Een zichtbaar „front van belastingparadijzen” wekt weerstand. Dus coördineren ze stilletjes. Vóór Europese ministersvergaderingen is er altijd Benelux-overleg. Jarenlang gebeurde daar weinig. Nederlandse parlementariërs wilden een paar jaar geleden het ‘Beneluxparlement’ opheffen, want inefficiënt en te duur. Daar praat niemand meer over. Want nu Europa verandert wordt de Benelux relevanter.

Kleine landen hebben hun tax rulings, het bieden van speciale belastingvoordelen aan internationale bedrijven (of expats), jarenlang meer gebruikt dan grote landen. De kleintjes moeten, vooral als ze de euro hebben, even competitief zijn als de grote landen. En devalueren kan niet meer. Maar hoe kan Luxemburg, met weinig grondstoffen of industrie, dan even competitief zijn als Duitsland? Juist: niches vinden in de dienstverlening, en die uitmelken.

Alle kleine EU-landjes doen het: Cyprus, Malta, Ierland, Beneluxlanden. Luxemburg, ooit arm en agrarisch, is het rijkste EU-land: de financiële sector beslaat eenderde van het bbp. Maar het berooft anderen van belastinginkomsten. Zolang de economie bloeide, tolereerden die anderen dat. Bovendien, fiscale concurrentie aanpakken kan alleen als je het belastingbeleid in Europa harmoniseert. Geen land wilde dat. Toen kwam de crisis. Sindsdien kwakkelt de Europese economie. Grote landen achten de tijd gekomen om de tax rulings van de kleintjes te stoppen.

Tax rulings zijn niet goed te praten. Ze zijn een race to the bottom. Geld dat de staat toekomt, wordt geprivatiseerd. Maar kleine landjes op hun kop slaan is geen oplossing. Het echte probleem is dat het huidige Europa te veel markt is en te weinig politiek verbond. EU-landen concurreren elkaar kapot; om geld, met vluchtelingen, alles. Niemand gunt de ander wat, behalve problemen. Daar gaan al onze crises over. In dit verkruimelende Europa valt de oude, harde kern terug op zichzelf.

Daarom prijst de Luxemburgse premier – jong en liberaal, net als zijn Nederlandse en Belgische collega’s – de Benelux de hemel in. Daarom kookten Beneluxministers de deal over de uitwisseling van tax rulings voor: anders deden anderen het. Daarom delen ze ambassades, combineren handelmissies. Daarom zit de Benelux al in het hart van een mogelijk ‘mini-Schengen’ nog vóór Schengen zelf is geïmplodeerd.

Een sterk Europa beschermt kleine landen tegen grote. Een revival van de Benelux, opgericht in 1944, betekent dit: de kleintjes vrezen dat ze weer op zichzelf zijn aangewezen.