Wat maakt een prentenboek goed?

Een prentenboek is zo veel meer dan geïllustreerde tekst. „Er moet een geheim te ontdekken zijn.” Door Thomas de Veen

Uit: Garage Gust door Leo Timmers.

Goed betekent voor een prentenboek: meer dan één keer goed. Waar romans en verhalen in de kast verdwijnen, is een prentenboek er per definitie voor herhaaldelijk gebruik – hetzelfde verhaal moet telkens opnieuw worden gelezen. Hoe komt dat toch, dat het leuk blijft om de zoektocht te volgen van de kleine mol die wil weten wie die onverlaat is die op zijn hoofd heeft gepoept? Wat maakt een prentenboek goed?

Het korte, flauwe antwoord: er is niet één antwoord, want er is niet één methode. „Bij elk prentenboek heb ik het gevoel dat ik weer het wiel moet uitvinden. Als ik precies wist hoe het werkte, zou ik altijd in de roos schieten”, zegt Annemarie van Haeringen, gelauwerd met meerdere Gouden Penselen en enkele Zilveren, dit jaar nog voor Sneeuwwitje breit een monster, dat ze zelf schreef en tekende. „Als ik het wist”, zegt schrijver Ted van Lieshout, „zou ik het misschien wel voor me houden.” Samen met illustrator Philip Hopman maakte hij de nu zesdelige prentenboekenreeks Boer Boris, waarvan inmiddels 100.000 exemplaren verkocht zijn.

Maar Van Lieshout en Van Haeringen en de andere prentenboekenmakers die we ernaar vragen, willen er wel iets over zeggen. Ook omdat er over prentenboeken wel wat misverstanden bestaan. Je hebt een tekst, en je maakt daar tekeningen bij? Zo werkt het dus niet. Alleen al die volgorde – en die scheiding. „Ik maak van tevoren wel een scenariootje”, zegt Van Haeringen, „maar dat verandert nog voortdurend. Doordat ik nieuwe ideeën krijg door de tekeningen, of omdat het ritme van het verhaal hapert of juist te snel gaat.”

„Vroeger maakte ik inderdaad eerst een tekst, in feite een kort verhaal, en daar ging dan iemand tekeningen bij maken. Die tekenaar bepaalde wat erbij kwam en de tekst bleef zoals hij was”, vertelt Edward van de Vendel. Hij maakte als schrijver tientallen prentenboeken, met vele verschillende illustratoren. „Maar het risico is dat een kind dan verschillende dingen hoort en ziet. Nu vind ik dat de vertelling van de schrijver en de tekenaar samen moet komen. In een vroege versie van Opvrolijkvogeltje zette ik tussen haakjes aanwijzingen voor de tekenaars, Ingrid en Dieter Schubert. Bijvoorbeeld: ‘Hier lost opvrolijkvogeltje alles op.’ Dat vonden ze bijna plagerig, en vroegen: ‘Maar hóe dan?’ Ik zei: ‘Ja, dat bedenken júllie.’ Dat bleek heel goed te werken”

„De basis is het beeld”, zegt Leo Timmers. „Een prentenboek is in de eerste plaats een visueel medium. Tekst is maar één noot op de notenbalk, naast de kleur en personages en compositie en humor.” Hij maakte bijna twintig prentenboeken, sommige met de tekst van een ander, vaker met zijn eigen tekst. „Voor een tekenaar is dat een hele stap. Ik zag in dat een prentenboek meer is dan een geïllustreerde tekst.”

Daar denkt Van de Vendel ook over na als hij de tekst schrijft: de vertelling moet visueel interessant en gevarieerd zijn. Een prentenboek over een kind dat binnenin een kamer zit is dus onmogelijk? „Ja, of het gaat dan over de fantasie van een kind.” Het liefst bedenkt hij een verhaal dat een hele wereld suggereert. „Een prentenboek is iets waar je naartoe zou willen verhuizen. Om dat gevoel op te wekken maak ik daar een zo groot mogelijk universum van.”

De kracht van Leo Timmers’ prentenboeken zit juist in de beperking en de herhaling. In zijn nieuwste, Garage Gust, krijgt een garagehoudend varken elke bladzijde klandizie van een dier met een probleem, dat hij fikst met een voorwerp uit zijn garage. Die liggen in het begin van het boek al klaar, en zijn aan het einde allemaal gebruikt. „Een prentenboek moet niet te ingewikkeld zijn – van eenvoud wordt de zeggingskracht groter, het dwingt je om inventiever te zijn. Het is flauw om een nieuw element toe te voegen omdat het je goed uitkomt. Die herhaling werkt goed voor kinderen, en helpt je om het tot een goed einde te brengen. Daarin kun je de herhaling dan weer doorbreken, met een verrassing.”

Een boek om voor te lezen

Alle vijf hameren ze erop: een goed prentenboek is een vóórleesboek. Ted van Lieshout leest zijn rijmende Boer Boris-verhalen daarom steeds hardop aan zichzelf voor, tijdens het schrijven: „Om te horen of het rijm en ritme klopt. Voor jonge kinderen is een spanningsboog nog niet zo belangrijk, maar is het wel mooi dat ze kunnen ontdekken dat de tekst zingt en danst.”

Een goed prentenboek is zich ervan ‘bewust’ dat het voorgelezen wordt. „Er moeten gaten in de tekst zitten, noem ik het maar”, zegt Tjibbe Veldkamp, die de tekst voor tientallen prentenboeken schreef. „De tekst moet niet het volledige verhaal vertellen. Het is heel saai wanneer het voorlezende grote mens precies zegt hoe het zit. Als het kind iets anders ziet, kun je erover praten.” In zijn laatste prentenboek Kom uit die kraan!, met tekenaar Alice Hoogstad, maakt de jonge Bart een ravage van een bouwplaats, maar verhinderde daarmee wel een bankoverval. Die speelde zich niet in de tekst, maar wel in de achtergrond van de tekening af. „Er moet een geheim te ontdekken zijn.”

Zoals Van Haeringen zegt: „Je leest de tekeningen net zo goed als de tekst. Dus als je al een rode ballon tekent, hoef je niet per se ook nog op te schrijven dat die ballon rood is.”

En zoals Van Lieshout samen met tekenaar Philip Hopman bedacht: er moet iets te zoeken zijn. „Philip verstopte in elke tekening een muisje en een vogeltje, die in de tekst niet voorkomen. Omdat we een serie maken, kunnen we ook dwarsverbanden leggen – in het zevende deel, dat in het voorjaar verschijnt, tekende Philip een juffrouw voor de klas die ook al in een eerder deel langskwam. Op die manier sluit het boek een verbondje met het kind, buiten het voorgelezen verhaal om.”

Met de ouders, die het boek maar telkens moeten voorlezen, sluit een goed prentenboek ondertussen ook een verbondje. „Waarom denk je dat we meerdere delen over Boer Boris maken?” grinnikt Van Lieshout. „Dat doen we voor de ouders, zodat zij niet telkens hetzelfde verhaal hoeven voor te lezen.”