‘Wat krie’w noe dan?’ Eerste Twentse vertaling ‘A Christmas Carol’

Het wereldberoemde kerstverhaal van Charles Dickens is vertaald door Anne van der Meiden.

Mooi toeval? Op de voorkant van ’n Mirreweentervertealsel, de eerste Twentse vertaling van Charles Dickens’ A Christmas Carol (1843), zit gierigaard Ebenezer Scrooge in pyjama voor zijn open haard. Treffend, want dit is de enige passage in het wereldberoemde Britse kerstverhaal met een Nederlands tintje.

Scrooges open haard is gemaakt in opdracht van een Nederlandse koopman. En de schouw, zo schrijft Dickens, is helemaal bedekt met ‘vreemde Nederlandse tegels’. Op die tegels verschijnt het gezicht van Marley, de overleden zakenpartner van Scrooge die zijn oude vriend vertelt dat hij bezoek krijgt van de drie geesten die van hem een genereus man zullen maken.

Voordat Marley dat doet, trapt diens geest eerst nog Ebenezers „kaelderdeur” uit zijn voegen. In de Twentse vertaling van Anne van der Meiden vraagt Scrooge dan vertwijfeld: „Wat krie’w noe dan? [...] wat he’j hier fealik biej miej te zeuken?” (Wat krijgen we nou? [...] wat heb je hier bij mij te zoeken?)

Het Dickens Museum in het Gelderse Bronkhorst leverde beeld voor ’n Mirreweentervertealsel, dat alleen Twentenaren kunnen lezen. Dat laatste is geen toeval. Dickens is groot in Oost-Nederland. Dat bewijst het Dickens Festijn in Deventer, dit jaar voor de 25ste keer gehouden.