Vreemd dat dit zo’n machowereld is

Rond de twintig grote buitenlandse ondernemingen hebben een Nederlandse baas. Tien van hen portretteren we de komende maanden. Wie zijn ze? Waarom zitten zij op die plek? Deze week Ineke Bussemaker, bestuursvoorzitter van de National Microfinance Bank, de grootste bank van Tanzania.​

Foto Roger Cremers

Ja, ze is een nichtje van Jet Bussemaker, de minister van Onderwijs. Of eigenlijk een achternichtje, hun vaders waren volle neven. Maar het voelt, zegt ze, alsof ze nichtjes zijn. Komt door hun tante, die leuke dingen met hen deed toen ze meisjes waren. Opera, concerten. Ze waren dol op haar.

Die tante was de klassieke intelligente jarenvijftigvrouw. Haar broers gingen naar de universiteit, zij deed een beroepsopleiding. En dat was dan al heel geëmancipeerd. Ze werkte haar leven lang als medisch analiste in het academisch ziekenhuis in Leiden. Zeer geïnteresseerd in de wetenschap, mee-publicerend met de onderzoekers, maar geen arts. En ongetrouwd.

Was ze een voorbeeld voor je?

„Nou, eh...” Je ziet haar denken: ja voor de ambitie, nee voor het gemiste huwelijksleven. Ineke Bussemaker heeft man en kinderen, zij hoefde dat er niet voor op te geven. En daar is ze blij om. „Mijn tante had dat ook wel gewild.”

Ze is een paar dagen in Nederland en we eten in restaurant het Arsenaal in Naarden. Hert, bloedworst, apfelstrudel. In principe eet ze liever vis – wat goed uitkomt als je in Dar es Salaam woont, want dat ligt aan zee – maar Hollandse herfst op je bord als je gewend bent geraakt aan alle dagen dertig graden is ook wel even fijn.

Sinds april is ze bestuursvoorzitter van de National Microfinance Bank, NMB, de grootste bank van Tanzania, met 175 kantoren en 3.050 werknemers. De bank is in 2005 geprivatiseerd en naar de beurs gegaan, Rabobank heeft 35 procent van de aandelen. Haar carrière voor die tijd: Continental Illinois National Bank, ABN Amro, Citibank (in Amsterdam, Kopenhagen en Londen) en verschillende posities bij Rabobank in Nederland.

Hoor hoe matter-of-factually ze vertelt waarom ze die nieuwe baan genomen heeft. „Ik had de overgang van het oude bankrekeningnummer naar het nieuwe IBAN-nummer geleid. Toen dat klaar was, wilde ik wat anders. De personeelsdirecteur zei: Tanzania? Nou, daar wilde ik wel over praten.”

Op haar achttiende ging ze naar de Verenigde Staten. Ze had gymnasium bèta gedaan op het Maerlant Lyceum in Den Haag en ze kon een Fulbright-beurs krijgen voor een Liberal Arts College in North Carolina. Bij het opruimen van haar zolder dit voorjaar, voordat ze naar Tanzania vertrok, kwam ze de brieven tegen die haar moeder haar toen wekelijks schreef. Zelf probeerde ze wekelijks terug te schrijven, maar ja, hoe gaat dat.

Heb je ze herlezen?

„Doorgebladerd. Ik bewaar ze voor later.”

Terug in Nederland ging ze wiskunde studeren in Leiden. Het had ook Nederlands kunnen zijn, of Grieks en Latijn, ze vond het allemaal leuk. Maar op het College had ze bedacht: lezen doe je vanzelf wel in je vrije tijd, wiskunde niet. En op het Maerlant had ze een leuke leraar gehad. „Zijn vrouw gaf ook wiskunde en ik paste veel op hun kinderen.” Ze stimuleerden haar enorm.

Haar ouders deden dat ook. Haar vader was scheepsbouwkundige, haar moeder verpleegkundige. Die was gestopt toen de kinderen kwamen – vier meisjes – en begon een peuterschool.

Ze ruimde de zolder op omdat het huis in de verkoop ging. Haar zusjes kwamen over om haar te helpen. Een van hen woont in Nederland, een in Parijs en een in Genève. Ze bekeken de plakboeken die hun moeder had bijgehouden, ze haalden herinneringen op. De tochten met de zeilboot. De reis naar Amerika die ze met het hele gezin maakten. Maar het was niet alleen maar rozengeur en maneschijn. Hun moeder werd ziek. „Ze kreeg hoofdpijn. Ze was duizelig. Ze werd doof. Ze bleek brughoektumoren te hebben op de gehoorzenuw.”

Opereren had als risico dat de aangezichtszenuw verlamd zou raken en ze haar evenwicht nog meer zou verliezen. Haar moeder zag ervan af en leefde nog twintig jaar, de laatste vijf in een verpleeghuis. Ze overleed in 2010. De vader van Ineke Bussemaker overleed dit voorjaar.

Was dat voordat de personeelsdirecteur je had gevraagd of je naar Tanzania wilde?

„Erna. Of eigenlijk was het een beetje ervoor.” Ze neem een hap van haar hert en praat pas door als haar mond leeg is. „Ik heb het toen uitgebreid met mijn zussen besproken. Moest ik dat nu doen of niet? Zij zeiden: papa zal het erg vinden als hij je niet meer zo vaak ziet. Maar hij zal ook trots op je zijn.” Haar vader woonde sinds een paar maanden in een verzorgingshuis bij haar in de buurt in Baarn.

En toen?

„Hij kreeg griep. Dat werd een longontsteking. De week voor zijn overlijden was hij nog best goed. Met Kerstmis was de hele familie nog bij elkaar geweest. En toen – binnen twee, drie dagen was het voorbij.” Ze neemt weer een hap en glimlacht verontschuldigend. „Het was verdrietig, maar het was goed zo. De huisarts zei: pneumonia is an old men’s friend. Het was ook een enorme opluchting dat ik hem niet hier hoefde achter te laten.”

Wiskunde dus. Daarna bedrijfskunde en IT aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam.

Ineke Bussemaker in Tanzania

Haar afstudeerscriptie ging over de voorraadplanning van reservevliegtuigonderdelen bij de KLM. In 1986 – ze was al bij de toenmalige Amro Bank – hielp ze het allereerste elektronisch bankierensysteem voor grote bedrijven op de markt te brengen. „Hoefde de afdeling geldbeheer de financiële positie niet meer met de hand bij te houden, op van die grote vellen papier.”

De pc waarmee ze werkte was verbonden met een mainframe zo groot als een machinekamer. „Maar in de basis”, zegt ze, „was het hetzelfde systeem dat we nu op onze telefoon hebben.”

Je hebt nog niets over feminisme gezegd.

„Nee, haha.”

Is het geen onderwerp voor je?

„O, jawel hoor. Het is de andere rode draad door mijn leven. IT en innovatie, en de positie van vrouwen in het bankwezen. Op school was ik er ook al mee bezig. Drie meisjes in een klas met vierentwintig jongens, dat vond ik wel typisch. In Leiden zat ik alleen met nerds die bij hun ouders woonden en geen lid van een studentenvereniging waren.”

Zij wel. Ze haalde daar de gezelligheid vandaan. In haar tweede jaar leerde ze twee meisjes kennen die ook wiskunde studeerden. Ze zijn nog altijd bevriend. De een is hoogleraar aan de Vrije Universiteit, de ander werkt bij Shell.

Waarom doen zo weinig vrouwen wat jullie hebben gedaan?

„Ja, waarom.” Ze glimlacht. „Het heeft denk ik vooral met verwachtingen te maken. Toen ik in Engeland werkte, zag ik dat meisjes op de meisjesscholen daar veel fanatieker waren in de exacte vakken dan hier. Er studeren daar ook veel meer vrouwen wiskunde.”

In 1990, nog bij ABN Amro, zette ze met collega’s samen een senior-vrouwennetwerk op. In het hogere management zaten duizenden mannen en veertig vrouwen. Vond ze ook typisch. Op een dag kreeg ze een promotie en hoorde ze dat de directeur onder wie ze zou gaan vallen zich zorgen maakte. Wat als ze zwanger werd? „Ik ben naar hem toegegaan en heb tegen hem gezegd: ik wil kinderen, dat klopt, maar ik ga eerst deze baan goed doen.”

Dat is wat ze jongere vrouwen ook aanraadt. „Wees maar liever eerlijk als je kinderen wilt, want het zit in de achterhoofden van alle mannen. Als je eerlijk bent, kunnen ze er geen punt meer van maken.”

Bij Citibank, waar ze in 1993 ging werken, waren er programma’s voor vrouwen om ervoor te zorgen dat die ook carrière maakten. „Amerikaanse bedrijven doen dat beter.” Maar bij Rabobank – ze begon er in 2005 – liepen ze „hopeloos” achter. Dat lag, zegt ze, vooral aan the tone at the top. „Lense Koopmans was de voorzitter van de raad van commissarissen, en die maakte zich er altijd met een grap vanaf als het onderwerp ter sprake kwam. Ja, we willen meer vrouwen, maar niet te veel, want dan gaan ze maar met elkaar zitten kakelen.”

Foto NMB

Ze doet alsof ze lacht. Haha. „We hadden een keer de bestuursvoorzitter van de NS uitgenodigd, Aad Veenman, en die vertelde hoe het diversiteitsbeleid er bij de NS eruit zag. Je zag aan de lichaamstaal van de topmannen van Rabobank dat ze het onzin vonden.”

Maar Wiebe Draijer [nu de baas] is anders, zegt ze. Die ziet wel de noodzaak en het belang van niet alleen maar blanke mannen op de hogere managementposities. „Je weet nog wat Christine Lagarde [directeur van het Internationaal Monetair Fonds] zei over Lehman Brothers? Dat de financiële crisis minder diep was geweest als het Lehman Sisters was geweest.”

Zo vreemd eigenlijk, zegt ze, dat het bankwezen zo’n machowereld is. „Bankiers moeten luisteren naar wat de klanten willen en dat is bij uitstek iets dat vrouwen goed kunnen.” Ze zenden minder en verbinden meer.

De man van Ineke Bussemaker – hij is bestuurskundige – ging minder werken toen hun oudste geboren was. In Kopenhagen was hij degene die om half zes de kinderen van de crèche haalde. „Om vijf uur”, zegt ze, „gaat iedereen daar naar huis. De avonden zijn voor de familie.” Maar voor haar lang niet altijd, ze werkte vaak door. „Ik hou erg van hard werken.” In Londen, waar ze daarna naartoe verhuisden, was het „niet meer te doen” om allebei een baan te hebben. Alleen al het reizen van de ene naar de andere kant van de stad. Toen is hij ermee gestopt. Hij ging onbetaald bestuurswerk doen.

Vond je dat lastig?

„Nou ja, ik vind het leuker als hij iets doet wat hij leuk vindt. Dan is hij beter in zijn humeur. In Dar es Salaam probeert hij weer wat te vinden en dat zal hem wel lukken, want hij spreekt de taal al bijna en de economie is booming.” Bovendien zijn de kinderen groot. Ze studeren – zoon future planet studies, dochter geneeskunde – en wonen niet meer bij hen.

Hoe is het om in Afrika ceo te zijn?

„Ceo en vrouw”, zegt ze. „Nou, daar ben ik nog niet helemaal achter. De raad van commissarissen wilde me graag hebben, maar het is daar ook een machocultuur, met mannen die in het openbaar vreselijk seksistische grappen maken, ook als er vrouwen bij zijn. We vierden de vijftigjarige relatie Wereldbank-Tanzania en daar zei een van de belangrijkste sprekers dat het heel goed was – zoveel vrouwen die werkten en een vrouw aan het hoofd van de Tanzaniaanse vertegenwoordiging bij de Wereldbank. Maar uiteindelijk moest een man er natuurlijk wel voor zorgen dat zijn vrouw thuis voor hem kookte, anders was hij een sukkel. Ik denk dan: hoe kán je dat zeggen, in dit gezelschap.”

Ze gaat nog even door. „Ik vroeg aan mijn managementteam, allemaal mannen, of we een avond met elkaar zouden eten, met hun partners erbij. Nee, nee, dat hoefde niet. Het is mooi als andere vrouwen werken, maar hun eigen vrouw moet thuis zijn.”

Ze had zich grondig voorbereid op leven en leidinggeven in een Afrikaans land, ze wist dat ze op de proef zou worden gesteld. En inderdaad: haar medewerkers begonnen haar meteen om gunsten te vragen – cursussen, reizen, tickets voor de businessclass – en het personeel thuis wilde geld lenen. De dochter van de tuinman was net getrouwd, zijn spaargeld was op, en nu lag zijn moeder in het ziekenhuis. De rekening moest contact betaald worden, dus eh…

Wat deed je?

„Ik heb geleerd om te zeggen: dat wil ik eerst met mijn man bespreken. Uiteindelijk heb ik het wel gedaan. Het gaat om kleine bedragen, en misschien creëer je er wederzijds vertrouwen en loyaliteit mee. Hoop je. Ik weet niet of het echt zo is. Een van de guards vroeg geld om een huis te kunnen huren, je moet daar zes maanden vooruit betalen. Ik zou mensen willen leren om dat geld eerst te sparen. Met al dat lenen kom je geen steek verder.”

Heb je al eens gedacht: waar ben ik aan begonnen?

Ze lacht. „Nog niet.” En dan weer op zakelijke toon: „Tot nu toe vind ik het leuk. Het is heel anders bankieren dan in Nederland, veel tastbaarder. Je financiert de zaden en de kunstmest van een boerencoöperatie, ze betalen je terug als de oogst binnen is. Je probeert er ook met hen samen voor te zorgen dat de kwaliteit van de zaden goed is, dat er geen zand in de kunstmest zit. Je probeert corruptie tegen te gaan. En dan zie je dat de coöperatie groeit, dat meer mensen te eten hebben. Dat geeft veel voldoening. Maar het is een lange weg.”

Je bent ook ontwikkelingswerker?

„Het is de taak van een bank om de economische ontwikkeling van een land te steunen. Zeventig procent van de bevolking heeft geen bankrekening, maar bijna iedereen heeft een mobiele telefoon en wij kunnen regelen dat ze daarmee gaan betalen. Dat wil de overheid ook. We hebben een klant, oorspronkelijk uit India, die directeur is van een voedingsmiddelenbedrijf. Die wil een systeem opzetten waarbij hij de zakken zonnebloempitten die de boeren hem leveren weegt met een elektronische weegschaal, en die weegschaal is via internet verbonden met de centrale financiële administratie. De boeren zien meteen wat de marktprijs is en wat ze krijgen, het geld wordt op hun bankrekening gestort. Geen contact geld meer. En vrouwen die zonnebloempitten leveren krijgen van hem 5 procent meer. Hij zegt: vrouwen gebruiken dat geld voor herinvesteringen in hun bedrijfje, of voor de opleiding van hun kinderen. De mannen brengen het naar de kroeg.”

Deze tien bazen portretteren we deze maanden: