Te veel ‘gratis’ advocaten zijn niet goed genoeg

Zonder toegang tot het recht geen rechtsstaat en dus moet er ook hulp van advocaten beschikbaar zijn. Daarom krijgen burgers met onvoldoende inkomen een ‘gratis’ advocaat – en die betaalt de samenleving. Tot zover alles in orde.

Alleen: in 2002 kostte dat 329 miljoen euro en in 2014 was dat opgelopen naar 440 miljoen. Wat is er in die twaalf jaar gebeurd? Is dit de crisis, de repressie, complexere wetten, individualisering, technologie, verharding, terugtredende overheid, de boze burger of een epidemie van lichtgeraaktheid waardoor álles een juridisch conflict wordt? Het antwoord is: ja, allemaal. De overheid grijpt harder in, burgers ‘pikken’ minder en gaan sneller hun recht halen. Ze kopen vaker rechtsbijstandspolissen en spreken die eerder aan. Consumentenprogramma’s op tv doen het goed, net als klachtenplatforms op internet. Tel daar het ondernemersbelang van advocaten bij op en er ontstaat een praktijk waarin ‘eigen bijdragen’ worden kwijtgescholden en er om cliënten wordt geknokt, tot in het Huis van Bewaring aan toe.

Deze week kwam er een stevig adviesrapport uit onder leiding van oud-burgemeester, Kamerlid en rechter Aleid Wolfsen, waarin dit raadsel werd ontrafeld. De oplossingen laat ik verder over aan het Advocatenblad – op eentje na dan. Een inkomensplafond voor advocaten die een dubbel ministerssalaris uit de subsidiepot weten te slepen. Denk aan de megastrafzaken met topadvocaten.

En vooruit, de belangrijkste: zet minder vaak een advocaat in en vaker een schuldhulpverlener of een mediator. Er blijkt een groep van 1000 burgers te zijn met zóveel problemen dat ze iedere maand een gratis advocaat nodig hebben. En er is een groep van 34.000 burgers die vier keer per jaar een gratis advocaat nodig hebben. Die groep kan efficiënter en goedkoper worden geholpen. Denk aan mensen met zware schulden, die onder hun eigen lawine van huurzaken, sociale verzekeringskwesties, contractuele geschillen, strafvervolgingen en gijzelingen bedolven raken. Dat is de vaste sociale probleemgroep die in ieder opzicht aan de grond zit, van generatie op generatie. Die is nauwelijks zelfredzaam, kan de digitalisering niet bijhouden en „raakt verstrikt in een web van aanvragen en aanmaningen”.

Ook vrij stevig vond ik de waarneming dat er te veel gefinancierde advocaten niet deskundig genoeg zijn. Met name aan strafadvocaten worden te weinig eisen gesteld. Wolfsen wil dat de advocatuur aan collegiale beoordeling gaat doen, specialisatie verplicht stelt, kwaliteitsonderzoek laat doen, de vakeisen opschroeft en de deskundigheid van advocaten inzichtelijk maakt. Scheelt ook geld. Wolfsen zegt dat advocaten te vaak ‘wisselend’ van kwaliteit zijn, dan wel ‘onder de maat’. In het strafrecht is dat een grote groep. Maar ook in het echtscheidingsrecht zijn er te veel zwakke advocaten. Die waarneming is gebaseerd op oordelen van de advocaten zelf.

Van een ziekenhuis zou je zo’n marge niet accepteren. „Welkom in onze kliniek; de meeste dokters zijn prima, er is een groep vrij matig en er zijn ook bij die zwak zijn. U mag daar gaan zitten.” Nee, bedankt. Ik zie het live bij de strafrechter: kletsverhalen van sjofele types in toga tot glasheldere analyses van echte meesters. In de advocatuur neemt men elkaar traditioneel niet snel de maat. Maar men heeft ook een procesmonopolie, met burgers in een afhankelijke positie. Dan geldt ‘noblesse oblige’, toch?

Waar Wolfsen geen antwoord op heeft, zijn de perverse effecten die in een markt optreden waar de burger iets ‘gratis’ krijgt, wat natuurlijk niet gratis is. Advocaten die eigen bijdrages niet innen en gemeentes die griffierechten vergoeden, kweken burgers die geen idee hebben dat procederen geld kost. Die bereiden zich niet voor, zijn niet gemotiveerd voor mediation, en hebben een oneerlijk voordeel als de tegenstander het wel zelf moet betalen.

En ze blijken vaak te vergeten dat rechtshulp via hun vakbond of verzekeraar ook te krijgen was. Ook dat is verspilling.