Regen opwekken met mortieren, dynamiet en waterstofballonnen

Deze week doen overheden in Parijs weer een poging om de klimaatverandering te remmen. Maar aan het eind van de negentiende eeuw wilde de Amerikaanse regering juist niets liever dan het klimaat veranderen, beschrijft Cynthia Barnett in haar boek Regen.

De prairies waar de kolonisten naartoe waren gelokt, waren toch droger gebleken dan voorgespiegeld. Lang had de overheid beweerd dat „de regen de ploeg volgt”, omdat ontgonnen en doorploegd terrein meer water zou vasthouden. Maar ontginnen hielp de waterhuishouding niet – integendeel.

Omdat één theorie luidde dat zwaar artillerievuur regen kon veroorzaken, werd in 1891 op een vlakte in Texas misschien wel het vreemdste regenexperiment ooit gehouden. Een van overheidswege aangestelde regenmaker, Robert St. George Dyrenforth, installeerde er zestig mortieren, groef dynamietstaven in en liet enorme waterstofballonnen op om ze te laten ontploffen. Het werd een pandemonium, en ja, natuurlijk regende het in de tien dagen dat het experiment duurde. Maar of de test dus geslaagd was – daar kwamen de waarnemers niet uit.

Het verhaal over Dyrenforth is een van de vele beeldende, haast ongelofelijke vertellingen uit het boek over regen en hoe dat onstuimige verschijnsel samenlevingen beïnvloedt. Het is uitstekend in het Nederlands vertaald.

Journalist Barnett (onder meer voor The Atlantic en Wall Street Journal) was er jarenlang mee bezig en sloeg geen enkel regenonderwerp over. Geen enkel cultureel regenonderwerp dan. Een ‘natuurgeschiedenis’ is het boek veel minder. Verwacht geen kaartjes van wereldwijde regenpatronen, of uitgebreide verhandelingen over waterkringlopen, erosie of zure regen. En biologie en statistiek zijn niet haar sterkste kant. Ze maakt foutjes (bijvoorbeeld over vlindervlekken en DNA-onderzoek) en doet al te boude beweringen over historisch klimaat. De periode 1310-1320 was het natste decennium in duizend jaar, schrijft ze. Weten we dat zeker? Ook de uitgebreide bronverwijzingen geven geen uitsluitsel.

Regen in de moderne tijd, en met name in de VS daar gaat Regen vooral over. Als je dat eenmaal geaccepteerd hebt, is het een fijn en verrassend boek, met prachtige zinnen als „Hij was gewoon dol op regen. Als een wollen lievelingstrui paste het bij zijn neerslachtigheid.” (Over de sf-schrijver Ray Bradbury, die regen op Mars verzon.)

En Barnett reisde. Ze trok naar de fabriek van traditionele Britse mackintosh-regenjassen, en beschrijft en passant de negentiende-eeuwse worsteling om die jassen met het toen nog exotische rubber waterdicht te krijgen. In eerste instantie waren de overjassen stug, en stonken naar nafta.

Maar haar mooiste verhalen komen uit India. Ze vond een traditionele werkplaats in de Noord-Indiase stad Kannauj die parfum met ‘de geur van de regen’ maakt, door lokale klei in olie te extraheren. Voor de lokale Indiërs schijnt het naar de eerste moesson op de kleigrond te ruiken, maar voor Barnett naar... klei. Zij komt uit Florida – voor haar ruikt regen naar nat mos.

In India ligt ook het natste dorp ter wereld: Cherrapunji, tussen Bangladesh en Bhutan. Er valt gemiddeld 11.750 millimeter regen per jaar. In Nederland, ter vergelijking, is het 850 mm per jaar. Hier regent het steeds meer – in 1900 viel er nog 690 mm. Maar in Cherrapunji maakt de toeristenindustrie zich zorgen. Barnett was er een week en maakte één hoosbuitje mee. De felgroene heuvels blaakten in de zomerzon, en dat gebeurt steeds vaker.

Regen is wispelturig. Maar regen „zelf is van nature niet destructief”, schrijft Barnett over klimaatverandering. „Wij hebben hem zo gemaakt.”