Onvrede op de pont

Bernard Hulsman grasduint door de stapel nieuwe boeken en geeft zijn eerste indruk.

Dat Hans Driessen Het communistisch manifest [1] opnieuw heeft vertaald, wordt al in de eerste zin van de nieuwe uitgave duidelijk. Niet: ‘Er waart een spook door Europa’ staat er, maar: ‘Er dwaalt een spook door Europa – het spook van het communisme’. Ook de laatste zin van het manifest, dat Karl Marx en Friedrich Engels in het revolutiejaar 1848 in Londen publiceerden, is veranderd. Niet met ‘Proletariërs aller landen, verenigt u' besluit de tekst, maar met ‘Proletariërs van alle landen, verenig je’, een oproep die toch minder krachtig klinkt dan de oude.

Toen in 2008 de bankencrisis ondanks de geruststelling van de toenmalige minister van financiën Wouter Bos dat deze beperkt zou blijven tot de Verenigde Staten, ook in Europa uitmondde in een heuse economische crisis, verschenen er berichten dat Het Kapitaal , Marx’ grondige analyse van het kapitalisme, weer goed werd verkocht. In 2010 vertaalde Hans Driessen daarom het eerste deel van Het Kapitaal opnieuw. Een bestseller zoals het latere, gelijknamige boek van de Franse econoom Thomas Piketty is het toch niet geworden.

Met nog geen 45 bladzijden is het Communistisch Manifest veel minder dik dan Het Kapitaal. Maar vooral het eerste deel van het manifest, ‘Bourgeois en proletariër’, is minder achterhaald. De beschrijving van de mondialisering van het kapitaal in de 19de eeuw laat zich lezen als een verslag van de triomftocht van het ongebreidelde kapitalisme na 1989.

In 1989 viel niet alleen de Muur, maar vertrok ook Gerard van Westerloo als hoofd van de kleurenbijlage van het weekblad Vrij Nederland. Onder Van Westerloo was de bijlage bekend geworden om zijn reportages over gewone mensen en dagelijkse verschijnselen. Hoe je die moest maken, had hij samen met Elma Verhey vanaf begin jaren zeventig laten zien met reportages over het gereformeerde Urk en de bewoners en de ontwerper van een ‘ratiobouw’-flat in Tilburg.

De ‘beste journalistieke verhalen’ van Van Westerloo en Elma Verhey zijn nu bijeengebracht in De pont van kwart over zeven [2], de titel van hun legendarische reportage over de gebruikers van de pont over het IJ die om 7 uur 15 vanuit Amsterdam-Noord vertrok. Net als andere artikelen in het boek is De pont uit 1981 nog altijd lezenswaardig. Zo laat het stuk nu goed zien dat de pontvaarders, stuk voor stuk noeste werkers, zich toen al in de steek gelaten voelden door ‘de politiek’ en met name door de PvdA. Het Nederlandse onbehagen dat in het begin van de 21ste eeuw uitmondde in populisme ontstond niet pas in de jaren negentig onder de Paarse kabinetten, maar al in de tweede helft van de jaren zeventig, zo blijkt.

Onbehagen is ook de rode draad in Munch [3], de biografie van de Noorse schilder Edvard Munch (1863-1944), van wie tot en met 16 januari 2016 werk is te zien op de dubbeltentoonstelling Munch: Van Gogh in het Van Goghmuseum in Amsterdam. Munchs onbehagen uitte zich in overmatig drankgebruik, vechtpartijen en vooral in een vernederende behandeling van de vrouwen die hem aanbaden. Vreemd genoeg ziet Naess in dit laatste een ‘vorm van ridderlijkheid’ vermengd met ‘pure lafheid’.

Zo minutieus als Naess de dagelijkse beslommeringen en geldzorgen van Munch beschrijft, zo weinig schrijft Ness over de artistieke en sociale omgevingen waarin Munch in Noorwegen, Duitsland en Frankrijk werkte en leefde.

Slechts enkele malen noemt Naess Vincent van Gogh. Zo vraagt hij zich bij Munchs schilderij Nacht af of Munch Sterrennacht van Van Gogh heeft gezien. ‘Onmogelijk is dat niet’, geeft hij als antwoord.

In Van Gogh & muziek. Symfonie in blauw geel [4] belicht Natascha Veldhorst een kant van Van Goghs werk waaraan kunsthistorici tot nu toe weinig aandacht hebben besteed. Van Gogh was niet alleen een liefhebber van onder meer Richard Wagner maar wilde ook zijn schilderijen laten ‘klinken’ als muziek, schrijft Veldhorst in haar mooie en leesbare studie. Ze doet wat Naess nalaat in zijn Munchbiografie: uitvoerig laat ze lezen dat Van Gogh niet alleen stond in zijn streven naar ‘muzikaal schilderen’. Tal van schilders en theoretici zagen in de tweede helft van de 19de eeuw in de ‘abstracte" muziek een model voor de schilderkunst.